Centrale Raad van Beroep, 04-11-2009 / 08-882 WVG


ECLI:NL:CRVB:2009:BK4247

Inhoudsindicatie
Weigering een bijdrage van € 500,-- in de kosten voor de aanschaf van een eigen auto toe te kennen. Vernietiging besluit wegens onvoldoende medisch onderzoek. Rechtsgevolgen worden in standgelaten, aangezien artikel 3.1, onderdeel c, van de Vvg, gelet op het limitatieve karakter van deze bepaling, geen grondslag biedt om een financiële tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van de aanschaf van een eigen auto. Geen sprake van een zeer bijzonder geval en dringende redenen op grond waarvan het College ten gunste van appellant zou moeten afwijken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-11-04
Publicatiedatum
2009-11-26
Zaaknummer
08-882 WVG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/882 WVG


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage 19 december 2007, 06/7983 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)


Datum uitspraak: 4 november 2009

I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocate te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Namens appellant is verschenen mr. Bonsen-Lemmers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij brief van 17 maart 2006 heeft appellant het College verzocht hem in het kader van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten in aanmerking te brengen voor een bijdrage van € 500,-- in de kosten voor de aanschaf van een eigen auto.


1.2. Bij besluit van 19 april 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen, omdat er door de medisch adviseur geen medische noodzaak voor een auto is vastgesteld. Uit de stukken blijkt dat het College aan dit standpunt een in het kader van een andere aanvraag opgemaakte rapportage van Argonaut van 10 december 2003 ten grondslag heeft gelegd.


1.3. Bij het door appellant tegen het besluit van 19 april 2006 gemaakte bezwaar is een verklaring van de revalidatiearts W. Nieuwstraten van 21 februari 2005 overgelegd, waarin deze onder meer aangeeft dat appellant lijdt aan therapieresistente claustrofobie, vooral bij meer personen in dezelfde ruimte.


1.4. Bij besluit van 21 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2006 ongegrond verklaard, omdat de medisch aantoonbare beperkingen niet van dien aard zijn dat appellant voor deelneming aan het leven van alledag in zijn directe woonomgeving uitsluitend is aangewezen op vervoer per eigen auto.


2.1. Namens betrokkene is tegen het besluit van 21 september 2006 beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant onder meer verwezen naar de verklaring van Nieuwstraten van 21 februari 2005.


2.2. In het verweerschrift heeft het College zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag, gelet op artikel 3.1 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: Vvg), reeds kan worden afgewezen op de grond dat een te verstrekken vervoersvoorziening niet kan bestaan uit de kosten van aanschaf van een eigen auto dan wel het vergoeden van een bijdrage in de aanschaf van een eigen auto.


2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het College, gelet op de redactie van artikel 3.1 van de Vvg, niet de mogelijkheid heeft van een financiële tegemoetkoming in de kosten van of een normbedrag voor de aanschaf van een eigen auto.


3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak bestreden. Aangevoerd is dat hij buitenshuis voor zijn verplaatsing afhankelijk is van een auto, dat artikel 3.1 van de Vvg wel ruimte laat voor de toekenning van de gevraagde voorziening en dat het aangevraagde de goedkoopste adequate voorziening is, nu de aanschaf van een bruikleenauto het College een veelvoud daarvan kost.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Op grond van artikel 3.2 van de Vvg geldt in de gemeente ’s-Gravenhage het primaat van collectief vervoer. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een gehandicapte voor nader genoemde andere vervoersvoorzieningen van de Vvg in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken.


4.1.2. Het College heeft zich ter beoordeling van vraag of in het geval van appellant sprake is van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken slechts gebaseerd op een door Argonaut in het kader van een andere aanvraag gegeven advies dat dateert van 21 december 2003. Het College heeft naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 17 maart 2006 geen nader medisch advies gevraagd. Ook in de door appellant in de bezwaarfase overgelegde verklaring van Nieuwstraten van 21 februari 2005 heeft het College geen aanleiding gezien nader te onderzoeken of wellicht sprake is van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken.


4.1.3. De Raad concludeert dat het besluit van 21 september 2006 niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid en berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering, en dat dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Nu de rechtbank het voorgaande niet heeft onderkend, komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.


4.2. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.


4.2.1. Artikel 3.1, onderdeel c, van de Vvg bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van of normbedrag voor:

1. aanpassing van een eigen auto of ander eigen vervoermiddel;

2. gebruik van een bruikleen-auto;

(…)

4. gebruik van een eigen auto, dan wel gebruik van een auto van een huisgenoot;

(…)

8. aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel;

(…)


4.2.2. Ingevolge artikel 8.1, onder b, van de Vvg kan het College in zeer bijzondere gevallen en vanwege dringende redenen ten gunste van de gehandicapte (…) afwijken van de bepalingen van deze verordening, mits de aard en de strekking van de verordening niet wordt aangetast.


4.2.3. Het voorgaande mede in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat artikel 3.1, onderdeel c, van de Vvg, gelet op het limitatieve karakter van deze bepaling, geen grondslag biedt om een financiële tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van de aanschaf van een eigen auto.


4.2.4. De Raad is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een zeer bijzonder geval en dringende redenen op grond waarvan het College ten gunste van appellant zou moeten afwijken van de bepalingen van de Vvg. Hierbij is onder meer van belang de vaststelling ter zitting dat appellant in staat is geweest de (na aftrek van het inruilbedrag van de oude auto en van door derden verstrekte bijdragen) resterende kosten van de aanschaf van de eigen auto van € 500,-- uit eigen middelen te financieren.


4.2.5. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.


5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep. Aangezien (alleen) in beroep een bewijs is overgelegd van een krachtens de Wet op de rechtsbijstand verleende toevoeging, dient het eerst vermelde bedrag te worden betaald aan de griffier van de Raad.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 september 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1288,--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.


(get.) H.C.P. Venema.


(get.) J. Waasdorp.


mm