Centrale Raad van Beroep, 16-12-2009 / 08-1307 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2009:BK6881

Inhoudsindicatie
Intrekking WAZ-uitkering. Medische beperkingen zijn niet onderschat. Uitgaande van de juistheid van de gestelde beperkingen moet appellant ook naar het oordeel van de Raad in staat worden geacht de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten acht de Raad de geschiktheid van deze functies in medisch opzicht voor appellant voldoende gemotiveerd. Overigens heeft appellant geen zelfstandige grieven tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-16
Publicatiedatum
2009-12-18
Zaaknummer
08-1307 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1307 WAZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 januari 2008, 06/1154 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.A.Th. Kostwinder, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een andere hoger beroepszaak tussen partijen, geregistreerd onder nummer 09/1271 WAZ, plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde; het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 16 augustus 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 april 2006 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 6 april 2006 was de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 5 juni 2006 ingetrokken. Daaraan liggen rapportages ten grondslag van voor het Uwv werkzame (bezwaar)verzekeringsartsen en (bezwaar)arbeidsdeskundigen, waaruit blijkt dat appellant nog beschikt over functionele mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid, waarmee hij een aantal, hem voorgehouden, functies zou kunnen uitoefenen. Gelet op de aan deze functies verbonden verdiensten is er volgens het Uwv op 5 juni 2006 geen verlies meer aan verdiencapaciteit.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het Uwv na het nemen van het bestreden besluit een gewijzigd standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de hoogte van het maatmanloon. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven omdat – kort samengevat – het bestreden besluit berust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.


3. Het hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Appellant heeft evenals in bezwaar en beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest en dat de medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Er is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met het feit dat opnieuw behandelingen zijn begonnen wegens zijn psychische klachten. Ten onrechte heeft het Uwv geen informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Appellant heeft in beroep verklaringen overgelegd van de huisarts en de fysiotherapeut, waaruit naar zijn mening blijkt dat zijn fysieke belastbaarheid drastisch is afgenomen en zeer beperkt is. Het Uwv is uitgegaan van verouderde en achterhaalde gegevens en had een nieuwe keuring moeten verrichten.


4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant ten tijde in geding door het Uwv zijn onderschat. De Raad onderschrijft ook de overwegingen waarop dit oordeel berust. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.


5.1.1. Ingevolge vaste rechtspraak mogen (bezwaar)verzekeringsartsen in beginsel varen op hun eigen oordeel en is raadpleging van de behandelend sector niet zonder meer aangewezen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 september 2003, LJN AO0093 is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn medische beperkingen. Niet is gebleken dat zich hier een van deze situaties heeft voorgedaan.

Naar aanleiding van het verwijzen van de huisarts en fysiotherapeut naar de slechte uitkomsten van de door appellant afgelegde fietstest merkt de Raad op dat hiervoor geen medisch objectiveerbare oorzaak is gevonden, zodat aan deze test niet de door appellant gewenste betekenis kan worden gegeven.

Uit de in beroep overgelegde brieven van de behandelend psycholoog leidt de Raad af dat er een verslechtering heeft plaatsgevonden van de psychische toestand van appellant, maar dat deze (op zijn vroegst) pas enkele maanden na de in geding zijnde datum is opgetreden.


5.2. Uitgaande van de juistheid van de gestelde beperkingen moet appellant ook naar het oordeel van de Raad in staat worden geacht de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten acht de Raad de geschiktheid van deze functies in medisch opzicht voor appellant voldoende gemotiveerd. Overigens heeft appellant geen zelfstandige grieven tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd.


5.3. Gelet op hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende;


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.


(get) H. Bolt


(get) I.R.A. van Raaij


EF