Centrale Raad van Beroep, 16-12-2009 / 08-7137 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7013

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-16
Publicatiedatum
2009-12-18
Zaaknummer
08-7137 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/7137 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 november 2008, 07/9494 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk aan Zee, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De Raad heeft op 29 mei 2009 vragen gesteld aan het Uwv, waarop het Uwv heeft geantwoord door middel van inzending bij brief van 22 juni 2009 van een rapport van 4 juni 2009 van P. Momberg, bezwaarverzekeringsarts, alsmede van een rapport van 18 juni 2009 van W.G.E. Buskermolen, bezwaararbeidsdeskundige, met bijlagen.


Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de hoger beroepsprocedure tussen partijen onder nr 09/396 WAO, plaatsgevonden op 4 november 2009. Namens appellante was bovengenoemde gemachtigde aanwezig, vergezeld van de echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.


Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante, werkzaam als verzorgende -B voor gemiddeld ruim 16 uur per week, is op 10 september 2001 uitgevallen met onder andere gewrichtsklachten (fibromyalgie). Aan haar is per 9 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit is appellante onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat bij haar weliswaar beperkingen bij het verrichten van arbeid bestaan (met name acht hij haar ongeschikt voor zware fysieke arbeid), maar dat er wel sprake is van mogelijkheden tot het verrichten van lichte arbeid. De bedoelde beperkingen heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal voor appellante geschikt te achten functies geselecteerd waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. In verband daarmee is de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 19 september 2006 per 8 november 2006 ingetrokken. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van de behandeling van dit bezwaar is op 15 oktober 2007 rapport uitgebracht door Momberg voornoemd, die na lichamelijk onderzoek van appellante, onder andere heeft gesteld dat er geen sprake is van ernstige psychiatrische of neurologische problematiek en het primaire medisch oordeel heeft onderschreven. Tevens heeft zij in haar rapport aangegeven waarom de beoordeling nu tot een andere uitkomst leidt dan in 2002. De bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft in het rapport van 26 oktober 2007 een toelichting gegeven op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 13 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, verkort weergegeven, gesteld dat zij aanzienlijk meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij in verband daarmee de aan haar voorgehouden functies niet kan uitoefenen. Ter onderbouwing daarvan is een schrijven van 11 januari 2008 van dr. A.J.M. Schuerwegh, reumatoloog, in geding gebracht.


3. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige basis van het bestreden besluit onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank nog opgemerkt dat het de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv vrij staat om eventueel in afwijking van een eerdere medische inschatting tot een eigen oordeel van de belastbaarheid van appellante te komen.


4. Namens appellante zijn in hoger beroep met name de eerder aangevoerde grieven herhaald.


5.1. De Raad oordeelt als volgt.


5.2. De Raad acht, met de rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Er zijn van de zijde van appellante geen medische gegevens in geding gebracht die aanknopingspunten bieden om te oordelen dat zij meer of anders beperkt is dan door het Uwv aangenomen. Ook voormelde brief van de reumatoloog Schuerwegh kan daartoe niet dienen: deze brief bevestigt in feite de door de verzekeringsartsen gestelde diagnose en daaruit volgt niet dat er op reumatologisch gebied evident meer beperkingen bestaan dan is aangenomen. Het is de Raad niet ontgaan, dat in het kader van een herbeoordeling per 22 februari 2007 in de FML van 14 april 2008 meer beperkingen zijn opgenomen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren dan in de FML die aan de onderhavige beoordeling ten grondslag ligt. De bezwaarverzekeringsarts Momberg heeft echter in haar voormelde rapport van 4 juni 2009 afdoende gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestaat meer beperkingen op genoemd vlak in de FML op te nemen; kort gezegd omdat er geen sprake is van psychiatrische bevindingen die het opnemen van meer beperkingen rechtvaardigen. Overigens is het Uwv ook ten aanzien van de datum 22 februari 2007 tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op minder dan 15%.


5.3. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de Raad voldoende deugdelijk. Door de bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde voornoemd zijn in het rapport van 26 oktober 2007 de signaleringen ten aanzien van een eventuele overschrijding van de belastbaarheid voldoende toegelicht waarbij naderhand nog is aangestipt dat voor wat betreft het item schroefbewegingen geen sprake is van kracht zetten of frequent wringen.


5.4. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.


(get.) H. Bolt.


(get.) I.R.A. van Raaij.


IvR