Centrale Raad van Beroep, 10-12-2009 / 08-2470 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BK7337

Inhoudsindicatie
Schadevergoeding. De door de Minister (appellant) berekende schadevergoeding is opgebouwd uit een vergoeding voor niet genoten vrije tijd en ingehouden FPU-premies over de periode van 1 december 2005 - het tijdstip waarop het FPU-arrangement had behoren in te gaan - tot 1 april 2007 - het tijdstip waarop van het FPU-arrangement gebruik is gemaakt - en de wettelijke rente over die bedragen, berekend over het tijdvak van 1 december 2005 tot 1 juni 2009. De Raad stelt vast dat in dit geding slechts de hoogte van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding aan de orde is en kan zijn. Dat de vaststelling van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding niet tot een betaling, maar tot een terugvordering leidt valt buiten de omvang van het geding. Het verzoek van de Minister om de aangevallen uitspraak volledig te vernietigen zal niet worden ingewilligd. Er bestaat slechts aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover het de hoogte van de schadevergoeding betreft. Veroordeelt de Minister tot vergoeding van de schade van betrokkene tot een bedrag van € 10.617,47 (was € 15.000,--).
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-10
Publicatiedatum
2009-12-22
Zaaknummer
08-2470 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2470 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2008, 05/6982 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene], (hierna: betrokkene)


en


appellant



Datum uitspraak: 10 december 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 08/2472 AW. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk en H.A.T. Smits, beiden werkzaam bij het Expertise-centrum Arbeidsjuridisch. Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaak wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit op bezwaar van 29 november 2005 (hierna: besluit 1) heeft de minister de weigering om betrokkene, destijds werkzaam bij de Rijksgebouwendienst, gebruik te laten maken van de Tijdelijke Regeling FPU PLUS VROM 2004 (hierna: VROM-regeling) gehandhaafd. In de loop van het beroep tegen besluit 1 heeft de minister, naar aanleiding van de uitspraak van deze Raad van 7 september 2006 (LJN AY8130 en TAR 2006, 190) bij besluit van 1 november 2006 besluit 1 ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard en betrokkene alsnog naar analogie van de VROM-regeling een FPU-arrangement aangeboden. Daarbij is, in het kader van de beoordeling of er termen aanwezig zijn om schade te vergoeden, vergoeding toegekend van de kosten van het instellen van beroep met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Betrokkene heeft het beroep bij de rechtbank voortgezet omdat hij meer schade vergoed wenst te krijgen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en appellant veroordeeld tot vergoeding van de schade van betrokkene tot een bedrag van in totaal € 15.000,-, waaronder begrepen een vergoeding voor het verlies van vrije tijd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep aanvankelijk verzet tegen de veroordeling tot vergoeding van de schade voor het verlies van vrije tijd. Desgevraagd heeft appellant bij brief van 14 juli 2009 het standpunt ingenomen dat ook in de zaak van betrokkene de uitspraak van de Raad van 2 april 2009, LJN BI1721, in acht moet worden genomen. Op basis van die uitspraak dient aan betrokkene volgens appellant een schadevergoeding van in totaal € 10.617,47 (hierna: berekende schadevergoeding) toegekend te worden.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


4.1. De Raad stelt vast dat slechts in geding is de hoogte van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding. De door appellant berekende schadevergoeding is opgebouwd uit een vergoeding voor niet genoten vrije tijd en ingehouden FPU-premies over de periode van 1 december 2005 - het tijdstip waarop het FPU-arrangement had behoren in te gaan - tot 1 april 2007 - het tijdstip waarop van het FPU-arrangement gebruik is gemaakt - en de wettelijke rente over die bedragen, berekend over het tijdvak van 1 december 2005 tot 1 juni 2009. Ter zitting is komen vast te staan dat betrokkene zich wel kan verenigen met de berekeningswijze van appellant, maar niet met de aanname dat het FPU-arrangement had behoren in te gaan op 1 december 2005. Volgens betrokkene had het FPU-arrangement dienen in te gaan op 1 september 2004, de maand na het bereiken van de 55-jarige leeftijd.


4.2. De Raad is van oordeel dat appellant terecht 1 december 2005 als tijdstip heeft aangemerkt waarop het FPU-arrangement had behoren in te gaan, nu betrokkene in een brief van 3 december 2004 expliciet heeft aangegeven per 1 december 2005 gebruik te willen maken van het FPU-arrangement.


4.3. Gelet op voorgaande overwegingen zal de Raad de aan betrokkene toekomende schadevergoeding vaststellen op de door appellant berekende schadevergoeding.


4.4. Appellant heeft in zijn brief van 14 juli 2009 opgemerkt dat toepassing van de in rechtsoverweging 3 genoemde uitspraak van de Raad tot terugvordering leidt, omdat aan de aangevallen uitspraak reeds uitvoering is gegeven. De Raad stelt vast dat in dit geding slechts de hoogte van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding aan de orde is en kan zijn. Dat de vaststelling van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding niet tot een betaling, maar tot een terugvordering leidt valt buiten de omvang van het geding. Het verzoek van appellant om de aangevallen uitspraak volledig te vernietigen zal niet worden ingewilligd. Er bestaat slechts aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover het de hoogte van de schadevergoeding betreft.


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de minister is veroordeeld tot vergoeding van de schade van betrokkene tot een bedrag van € 15.000,-;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade van betrokkene tot een bedrag van € 10.617,47;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van de minister een griffierecht wordt geheven van € 433,-.


Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.



(get.) J.G. Treffers.



(get.) K. Moaddine.




HD