Centrale Raad van Beroep, 24-12-2009 / 08-3853 AW en 08-3933 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BK8771

Inhoudsindicatie
Strafontslag, wegens plichtsverzuim bestaande uit onprofessioneel en ongewenst gedrag jegens vrouwelijke burgers waarmee hij in de uitoefening van zijn functie te maken kreeg en misbruik van de politie-informatiesystemen. Dubbel hoger beroep. Voor het oordeel dat zijn gedrag betrokkene niet of in verminderde mate is toe te rekenen, is gezien het rapport van de psychiater geen plaats.Opgelegde straf van ontslag niet als onevenredig is te beschouwen aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-12-24
Publicatiedatum
2010-01-12
Zaaknummer
08-3853 AW en 08-3933 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2010/54
Uitspraak

08/3853 AW + 08/3933 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


de Korpsbeheerder van de politieregio Fryslân (hierna: korpsbeheerder),


en [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 30 mei 2008, 08/722 en 08/723 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


betrokkene


en


de korpsbeheerder


Datum uitspraak: 24 december 2009


I. PROCESVERLOOP


Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.


Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Zwart, werkzaam bij de politieregio Fryslan. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. Nijboer, werkzaam bij de Politievakorganisatie ACP.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Betrokkene was als hoofdagent van politie werkzaam in de [naam dienstonderdeel ] in het team [naam team] van de politieregio [naam politieregio].


1.2. Het Bureau Interne Veiligheid (BIV) heeft in opdracht van de directeur van politie en de teamchef [naam team] van voornoemde politieregio een onderzoek ingesteld naar vermeend plichtsverzuim van betrokkene. Op 28 juli 2006 heeft het BIV een rapport van dit onderzoek uitgebracht.Vervolgens heeft de korpsbeheerder betrokkene bij brief van 6 december 2006 zijn voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en hem subsidiair te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De korpsbeheerder heeft betrokkene daarbij - kort weer-gegeven - ten laste gelegd dat hij zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan onprofessioneel en ongewenst gedrag jegens vrouwelijke burgers waarmee hij in de uitoefening van zijn functie te maken kreeg. Daarbij is erop gewezen dat betrokkene door het bevoegd gezag herhaaldelijk is gewaarschuwd dergelijk gedrag achterwege te laten. Voorts heeft betrokkene misbruik gemaakt van de politie-informatiesystemen (X-pol) en daarmee de privacy van mevrouw F geschonden. Ten slotte heeft betrokkene zich tijdens het onderzoek uiterst leugenachtig en misleidend gedragen.


1.3. Nadat betrokken zijn zienswijze op dit voornemen had gegeven en de psychiater C.J.F. Kemperman op verzoek van de korpschef een rapport over betrokkene had uitgebracht, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 30 oktober 2007 betrokkene op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 20 november 2007 strafontslag verleend. Subsidiair heeft de korpsbeheerder betrokkene op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken. Bij het bestreden besluit van 18 maart 2008 heeft de korps-beheerder het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 oktober 2007 ongegrond verklaard.


2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat geen concrete aan-knopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat het disciplinaire onderzoek op onzorgvuldige of vooringenomen wijze heeft plaatsgevonden. Voorts achtte de rechtbank het aannemelijk dat betrokkene mevrouw F op 7 december 2005 vanaf zijn werkplek heeft gebeld maar voor de rechtbank is niet komen vast te staan wat de inhoud van dit gesprek is geweest. Daarom is voor de rechtbank evenmin komen vast te staan dat met dit gesprek geen dienstbelang was gemoeid en ook niet dat betrokkene X-pol uitsluitend voor persoonlijke doeleinden heeft geraadpleegd. Verder is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat betrokkene bij een bezoek aan F op 24 maart 2006 haar onheus heeft bejegend of toenadering voor privédoeleinden heeft gezocht. De rechtbank achtte het strafontslag onder deze omstandigheden onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.


3. De korpsbeheerder heeft in zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak uitvoerig betoogd dat het opgelegde strafontslag op grond van overtuigend gebleken feiten niet onevenredig kan worden geacht.

Betrokkene verzet zich met name tegen die uitspraak in zoverre daarin is geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onzorgvuldig disciplinair onderzoek, betrokkene op 7 december 2005 een telefoongesprek met mevrouw F heeft gevoerd en dat met het bezoek aan mevrouw F op 24 maart 2006 geen dienstbelang was gemoeid. Volgens betrokkene staat de opgelegde straf niet in verhouding tot het gepleegde plichtsverzuim.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


4.1. De Raad stelt allereerst vast dat uit de stukken blijkt dat betrokkene op 30 mei 2005 als politieman in uniform een zakelijk contact had met mevrouw V, maar haar toen ook persoonlijke vragen stelde die niets van doen hadden met de zaak waarvoor hij kwam. Verder stelde hij V voor een afspraak voor een etentje te maken, welk voorstel V meteen afwees. Nadien heeft betrokkene V nog met e-mailberichten van 31 mei 2005 en 2 juni 2005 benaderd waarin hij haar avances maakte en een afspraak voor een romantisch diner voorstelde. Betrokkene heeft dit alles (grotendeels) toegegeven, maar dit pas geleidelijk en nadat hij achtereenvolgens was geconfronteerd met de duidelijke verklaring hierover van V en met afschriften van beide genoemde e-mailberichten. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene door dit gedrag jegens V en door daarover aanvankelijk niet naar waarheid te verklaren plichtsverzuim gepleegd.


4.2. Voorts heeft betrokkene op 6 december 2005 als politiefunctionaris mevrouw F op haar werk bezocht omdat zij mogelijk over informatie over de partner van een persoon die een mishandeling had gepleegd, beschikte. Naar F heeft verklaard, werd zij kort nadien door betrokkene gebeld. Betrokkene deelde toen mede dat de dader van de mishandeling zich inmiddels had gemeld. Daarna heeft hij F complimenten gemaakt en bij haar aan-gedrongen op het maken van een afspraak of anders over en weer te e-mailen. F heeft deze voorstellen zonder meer afgewezen, aldus haar verklaring. Betrokkene heeft steeds ontkend dat hij dit telefoongesprek gehouden heeft. Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde acht de Raad niet alleen aannemelijk, zoals de rechtbank, dat betrokkene dit telefoongesprek met F wel heeft gehouden maar ook dat de inhoud daarvan in lijn is met hetgeen F daarover heeft verklaard. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.3. De Raad merkt in dit verband allereerst op dat geregistreerd is dat met een telefoon-toestel dat zich bevindt in de kamer waar betrokkene gewoon was te werken op 7 december 2005 vanaf 15.16 uur gedurende 34 minuten naar het nummer van de diensttelefoon van F is gebeld. Betrokkene heeft, overigens pas bij het geven van zijn zienswijze, wel erkend dat hij op 7 december 2005 in X-pol naar persoonsgegevens van F heeft gezocht, naar hij stelde om haar als getuige te kunnen registreren. Blijkens het hiervan bestaande registratiesysteem is in de loop van voormeld telefoongesprek met gebruikmaking van het “dpers nummer” en wachtwoord van betrokkene naar de naam van F in X-pol gezocht. Andere mogelijke zoekmomenten betreffende F op die dag zijn niet in het registratiesysteem te vinden. Temeer nu betrokkene heeft gesteld zijn wachtwoord nooit aan een derde bekend te hebben gemaakt, gaat de Raad ervan uit dat het betrokkene is geweest die tijdens het telefoongesprek met F in X-pol heeft gezocht. Voor de hand ligt aan te nemen dat hij toen ook dit telefoongesprek heeft gevoerd. De door betrokkene overgelegde verklaring van B van 31 juli 2006 dat betrokkene op 7 december 2005 van 15.00 tot 16.30 uur op zijn bedrijf is geweest voor het geven van advies over inbraak-preventie, kan de Raad niet voor juist houden, ook omdat het desbetreffende registratie-systeem uitwijst dat betrokkene op 7 december 2005 het politiebureau te [naam team] pas om 16.27 uur met zijn auto heeft verlaten.


4.4.Wat de inhoud van het telefoongesprek van 7 december 2005 betreft is mede van belang dat G, een collega van F, tijdens dit telefoongesprek aanwezig was op de kamer waar dit gesprek werd gehouden. Zij heeft verklaard dat zij F tijdens dit gesprek onder andere hoorde zeggen dat zij er niet op in ging en er geen zin in had. Na afloop van het gesprek zei F tegen G dat de politieman die de dag tevoren bij haar was geweest, haar had gebeld en dat hij haar telefoonnummer (privé) wilde hebben. Volgens G was F nogal overstuur door het telefoongesprek.


4.5. Wat het door de korpsbeheerder gewraakte zoeken door betrokkene in X-pol betreft, overweegt de Raad dat nu dit zoeken plaatsvond tijdens het telefoongesprek dat betrokkene op 7 december 2005 met F had, niet valt aan te nemen dat dit zoeken in het belang van de dienst was. Bovendien had de dader zich toen al gemeld. Het zoeken in X-pol zonder zakelijke reden als door betrokkene gedaan, was zonder meer ongeoorloofd en een inbreuk op de privacy van F.


4.6. Op 24 maart 2006 heeft betrokkene samen met zijn jongere collega H een bezoek gebracht aan F op het kantoor waar zij werkte. Volgens F heeft betrokkene haar toen gezegd dat de dader van de mishandeling was gepakt, waarop F antwoordde dat hij haar dat al eerder had bekend gemaakt. Hierna gaf betrokkene te kennen dat hij een afspraak met haar wilde maken en vroeg hij haar het nummer van haar mobiele telefoon. F ging hierop niet in, zo heeft zij verklaard. Betrokkene vroeg ook of F een knappe man had. De echtgenoot van F heeft vervolgens een klacht ingediend bij de korpsbeheerder. Het relaas van F over het op 24 maart 2006 gebeurde wordt niet bevestigd door voormelde H. Deze is echter niet voortdurend bij het gesprek tussen betrokkene en F aanwezig geweest; verder heeft hij wel bevestigd dat betrokkene aan F heeft gevraagd of zij een knappe man heeft. De Raad overweegt hierover dat niet wel denkbaar is dat er een goede zakelijke reden voor betrokkene bestond om F op 24 maart 2006 te bezoeken. Dit spreekt te meer nu hij F volgens haar verklaringen al op 7 december 2005 had laten weten dat de dader van de mishandeling bekend was. Weliswaar heeft betrokkene hierover anders verklaard maar de verklaringen van F komen de Raad betrouwbaarder voor, in aanmerking genomen dat betrokkene in deze aangelegenheid aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Overigens heeft betrokkene zelf op 8 december 2005 in X-pol opgenomen dat de dader zich op 6 december 2005 omstreeks 18.30 uur in persoon bij de politie had gemeld. Hoewel over de precieze inhoud van het gesprek tussen betrokkene en F op

24 maart 2006 onvoldoende duidelijkheid bestaat kan wel worden vastgesteld dat dit eerder een privé dan een zakelijk karakter had.


4.7. De Raad is van oordeel dat betrokkene zeker in zijn benadering van F zeer onbetamelijk heeft gehandeld. Hij heeft niet de afstand jegens een vrouwelijke burger in acht genomen waartoe hij in het bijzonder tijdens de uitoefening van zijn functie als politieman gehouden was. Betrokkene heeft het vertrouwen dat in hem moest kunnen worden gesteld ernstig beschaamd en heeft het aanzien van de politie schade toegebracht. De Raad neemt verder in aanmerking dat betrokkene in 2004 bij zijn overgang van het district [naam district] naar het district [naam team] wegens bepaalde signalen betref-fende zijn houding tegenover vrouwen nadrukkelijk is voorgehouden dat onbetamelijk gedrag jegens personen van het vrouwelijke geslacht niet zou worden geduld. Voor het oordeel dat zijn gedrag betrokkene niet of in verminderde mate is toe te rekenen, is gezien het onder 1.3 bedoelde rapport van de psychiater Kemperman geen plaats. De op verzoek van betrokkene door zijn (voormalig) behandelend klinisch psycholoog naar aanleiding van het rapport van Kemperman opgestelde brief van 14 september 2009 geeft geen reden hierover anders te oordelen. Op grond van een en ander komt de Raad tot de slotsom dat de betrokkene opgelegde straf van ontslag niet als onevenredig is te beschouwen aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.


4.8. Hieruit volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet en dat van de korpsbeheerder wel slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep moet ongegrond worden verklaard.


5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.


(get.) J.Th. Wolleswinkel.


(get.) I. Mos.


HD