Centrale Raad van Beroep, 21-01-2011 / 10-1905 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BP1799

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-01-21
Publicatiedatum
2011-01-25
Zaaknummer
10-1905 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1905 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 maart 2010, 09/4946 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 21 januari 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. Bonsen-Lemmers. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.M. Sluijs.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is op 28 februari 2007 vanwege rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker.


1.2. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2009 afwijzend beslist, omdat appellant per 26 februari 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 7 september 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, kort samengevat, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de rugklachten en de klachten ten gevolge van allergie zijn onderschat. Daarnaast heeft appellant gesteld dat hij beperkingen heeft in persoonlijk en sociaal functioneren ten gevolge van de chronisch depressieve stoornis die in juni 2009 is vastgesteld. Hij acht zich met name ten gevolge van zijn psychische klachten meer beperkt dan in de FML is vastgelegd. Appellant heeft de Raad verzocht om een psychiater als deskundige te benoemen.


3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 mei 2010.


4. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel over het bestreden besluit te komen dan de rechtbank.


4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geschied en dat in het rapport van de verzekeringsarts van 15 december 2008 en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 6 en 14 augustus 2009 overtuigend is gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn neergelegd. Bij appellant is sprake van chronische pijnklachten bij hernia nuclei pulposi, die leiden tot beperkingen ten aanzien van zowel dynamische als statische rugbelasting. Ook is rekening gehouden met de allergieklachten van appellant. Gelet op het feit dat de verzekeringsarts in december 2008 bij onderzoek van de psyche geen bijzonderheden heeft vastgesteld en de motivering van de bezwaarverzekeringsarts die aan de hand van de beschikbare medische informatie van de huisarts en de psychiater van oordeel was dat er per datum in geding (26 februari 2009) geen aanleiding was om beperkingen in verband met depressieve klachten aan te nemen ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Hierin ligt besloten dat de Raad geen deskundige zal benoemen.


4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA per 26 februari 2009 door het Uwv terecht gesteld op minder dan 35%.


5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.


(get.) J.P.M. Zeijen.


(get.) T.J. van der Torn.




EK