Centrale Raad van Beroep, 02-03-2011 / 09-3703 ZW


ECLI:NL:CRVB:2011:BP6505

Inhoudsindicatie
Beëindiging ziekengeld ingevolgde de ZW omdat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken. Nu appellante ook in beroep niets heeft aangevoerd wat in bezwaar aanleiding had kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van het primaire besluit, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank af kunnen zien van het houden van een hoorzitting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-02
Publicatiedatum
2011-03-03
Zaaknummer
09-3703 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/3703 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2009, 08/3922 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).


Datum uitspraak: 2 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft J.R. Seedorf hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 14 januari 2011 heeft appellante een besluit van 16 september 2009 van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk ingestuurd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. drs. J. Hut.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster. Voor deze werkzaamheden is zij op 26 juni 2006 uitgevallen wegens rugklachten. Met ingang van 14 juli 2006 is het dienstverband van appellante beëindigd en is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar ZW-uitkering met ingang van 22 juni 2008 wordt beëindigd omdat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


2. Bij besluit van 28 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2008 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 29, vijfde lid, van de ZW is bepaald dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken. Appellante heeft niet betwist dat op 22 juni 2008 de maximale uitkeringsduur voor de ZW-uitkering is verstreken. Gelet op het dwingende karakter van artikel 29, vijfde lid, van de ZW moest het Uwv de uitkering op voormelde datum beëindigen. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat het Uwv op deze datum nog geen besluit had genomen op de volgens haar ingediende aanvraag om toekenning van een WIA-uitkering kan daar niet aan af doen. Nu appellante ook in beroep niets heeft aangevoerd wat in bezwaar aanleiding had kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van het primaire besluit, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank af kunnen zien van het houden van een hoorzitting.


4. In hoger beroep heeft appellante haar bij de rechtbank naar voren gebrachte beroepsgronden herhaald.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. Appellante heeft in hoger beroep alleen gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, ook wat betreft het afzien van het houden van een hoorzitting door het Uwv. Uit hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, blijkt niet waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.


(get.) H.G. Rottier.


(get.) T. Dolderman.


TM