Centrale Raad van Beroep, 08-03-2011 / 08/7301 WWB + 08/7304 WWB + 09/3114 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP7529

Inhoudsindicatie
Opschorting en intrekking bijstandsuitkering. Beoordelingsperiode 6 juni tot 13 september 2007. Vanaf 9 juli 2007 is sprake van schending inlichtingenverplichting door niet de melden dat appellant niet verbleef op het door hem opgegeven adres. Vernietiging bestreden besluiten voor zover de uitkering is ingetrokken en opgeschort van 6 juni tot 9 juli 2007.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-08
Publicatiedatum
2011-03-15
Zaaknummer
08/7301 WWB + 08/7304 WWB + 09/3114 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/7301 WWB

08/7304 WWB

09/3114 WWB



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 10 november 2008, 08/1384 en 08/1519 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)



Datum uitspraak: 8 maart 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.F. Nelisse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Namens appellant is mr. Nelisse verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Klinge, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft zich op 6 juni 2007 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de aanvraag om bijstand heeft appellant opgegeven dat hij op het adres [adres 1] in Rotterdam een kamer huurt en € 300,-- per maand aan huur betaalt. Tijdens het intakegesprek op 17 juli 2007 heeft appellant verklaard dat hij vanwege relationele problemen op 29 april 2007 de echtelijke woning heeft verlaten, vervolgens bij familie en vrienden heeft verbleven en dat hij vanaf 9 juli 2007 van B. [C.] (hierna: [C.]), de hoofdbewoner van de woning aan de [adres 1], een kamer huurt in die woning. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het College met ingang van 6 juni 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.


1.2. Op 19 juli 2007 hebben medewerkers van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: SoZaWe) een huisbezoek afgelegd aan het door appellant opgegeven woonadres. Bij dat bezoek is appellant niet aangetroffen. [C.] was toen wel aanwezig en heeft verklaard dat appellant er nog niet woont, dat hij in de woning nog geen persoonlijke bezittingen heeft en dat het de bedoeling was dat appellant over een dag of twee zou komen. Voorts heeft [C.] verklaard dat hij appellant had gewaarschuwd geen uitkering aan te vragen omdat hij dan gecontroleerd wordt. Bij besluit van 20 juli 2007 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 6 juni 2007 opgeschort omdat onduidelijkheid bestaat over zijn woonsituatie. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 6 juni 2007 ingetrokken.


1.3. Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het College - met aanvulling van de gronden - het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 25 februari 2008 ligt ten grondslag dat appellant onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn verblijfadres en dat hij daardoor de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en is de bijstand onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB terecht ingetrokken. Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2007 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bijstand is ingetrokken en appellant derhalve geen belang meer heeft bij de beoordeling van het bezwaar tegen de opschorting.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 november 2006, LJN AZ1813, heeft de rechtbank overwogen dat de betrokkene slechts dan geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn bezwaar tegen een besluit tot opschorting indien het besluit tot intrekking inmiddels onherroepelijk is geworden en dat daarvan in het geval van appellant geen sprake was. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 februari 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 februari 2008 ongegrond is verklaard.


4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 11 februari 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2007 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 11 februari 2009 ligt ten grondslag dat, gelet op de bevindingen bij het huisbezoek, voldoende reden bestond om tot opschorting van het recht op bijstand over te gaan met ingang van de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, zijnde de datum aanvraag op 6 juni 2007. De Raad stelt vast dat, nu daarmee niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.


5. De Raad komt ten aanzien van de intrekking tot de volgende beoordeling.


5.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling van de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden de periode van 6 juni 2007 tot en met 13 september 2007.


5.2. Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - kan het college een besluit tot toekenning van bijstand intrekken indien het niet of niet behoorlijke nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.


5.3. Blijkens het opgestelde rapport heeft appellant tijdens het intakegesprek op 17 juli 2007 verklaard dat hij na het verlaten van de echtelijke woning op 29 april 2007 een periode bij familie en vrienden heeft verbleven en dat hij vanaf 9 juli 2007 een kamer huurt op het adres [adres 1]. Het rapport vermeldt tevens dat appellant na 29 april 2007 een periode van dik twee maanden geen woon- of verblijfadres heeft gehad. Gelet op deze mededeling van appellant over de ingangsdatum van de huurovereenkomst acht de Raad niet van belang dat appellant op formulieren, die hij eerder heeft ingevuld en ondertekend, voornoemd adres heeft opgegeven. Voor zover uit die formulieren werd afgeleid dat appellant al vóór 9 juli 2007 een kamer huurt in de woning aan de [adres 1] en aldaar verblijft, heeft appellant dit tijdens het intakegesprek gecorrigeerd. De Raad is niet gebleken dat appellant voor wat betreft de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007 tijdens het intakegesprek onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en verblijfplaats, zodat de intrekking van bijstand over die periode ten onrechte is gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De omstandigheid dat het College over die periode welbewust aan appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met de maximumtoeslag van 20%, heeft verstrekt is niet toe te schrijven aan onjuiste of onvolledige informatie die appellant over die periode heeft verstrekt.


5.4. Ten aanzien van de intrekking van bijstand over de periode van 9 juli 2007 tot en met 13 september 2007 onderschrijft de Raad het standpunt van het College dat appellant de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de bevindingen van het huisbezoek op 19 juli 2007, die appellant niet heeft bestreden, staat vast dat hij vanaf 9 juli 2007 niet heeft verbleven op het door hem opgegeven adres. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij niet in de [adres 1] heeft gewoond. Appellant stelt dat hij na het huisbezoek zijn klantmanager ervan op de hoogte heeft gebracht dat hij als gevolg van dat bezoek niet meer in de woning mocht verblijven, dat hij in het bijzijn van de klantmanager de sleutel van de kamer heeft overhandigd aan [C.] en dat de klantmanager appellant zelfs de mogelijkheid heeft gegeven om een nieuw adres te zoeken. De Raad stelt vast dat voor deze lezing van appellant van de gebeurtenissen in de gedingstukken geen ondersteuning is te vinden. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat appellant na het huisbezoek contact heeft gehad met zijn klantmanager en appellant heeft zijn stelling ook op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van [C.], aannemelijk gemaakt. Voorts acht de Raad van belang dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij het adres [adres 2] in Rotterdam, dat hij in de periode van 2 augustus 2007 tot 8 november 2007 als postadres heeft gebruikt, niet aan SoZaWe heeft opgegeven omdat hij wist dat dit niet tot toekenning van een uitkering zou kunnen leiden. Derhalve was het College onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand vanaf 9 juli 2007 in te trekken. Tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.


5.5. Uit het onder 5.3 en 5.4 overwogene volgt dat bij het besluit van 25 februari 2008 de intrekking van de bijstand over de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007 ten onrechte is gehandhaafd. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 25 februari 2008 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007. De Raad is van oordeel dat het gebrek in het besluit van 13 september 2007 tot intrekking van de bijstand over de periode 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007 niet kan worden hersteld. Derhalve zal de Raad onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat besluit in zoverre herroepen.


5.6. De Raad komt ten aanzien van de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 6 juni 2007 tot de volgende beoordeling.


5.7. Uit hetgeen is overwogen onder 5.3 tot en met 5.4 volgt dat de bevindingen van het huisbezoek geen reden vormden om tot opschorting van het recht op bijstand over te gaan met ingang van 6 juni 2007. De bevindingen waren wel voldoende reden om het recht op bijstand met ingang van 9 juli 2007 op te schorten. Derhalve zal de Raad het beroep tegen het besluit van 11 februari 2009 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2007 in zoverre gegrond verklaren dat het recht op bijstand met ingang van 9 juli 2007 wordt opgeschort.


6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en € 664,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 februari 2008 gegrond voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007 is gehandhaafd en vernietigt dat besluit in zoverre;

Herroept het besluit van 13 september 2007 voor zover daarbij de bijstand over de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 juli 2007 is ingetrokken;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2009 gegrond voor zover daarbij het recht op bijstand met ingang van 6 juni 2007 is opgeschort en verklaart het bezwaar in zoverre gegrond dat het recht op bijstand met ingang van 9 juli 2007 wordt opgeschort;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep inzake het besluit van 25 februari 2008 en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.



(get.) J.F. Bandringa



(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.




RB