Centrale Raad van Beroep, 08-03-2011 / 11/169 WWB-W


ECLI:NL:CRVB:2011:BP7587

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Inkomsten uit arbeid. Geen schulden op grond waarvan de dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van de woning van verzoeker van de levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Niet wordt voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-08
Publicatiedatum
2011-03-15
Zaaknummer
11/169 WWB-W
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/169 WWB-W


Centrale Raad van Beroep


Voorzieningenrechter


UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:


[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), in verband met het hoger beroep van: verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/1041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)


Datum uitspraak: 8 maart 2011


I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S. Smeets, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Smeets en A.M. de Jonge als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M.S. Crienen, werkzaam bij de gemeente Venlo.


II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker en zijn echtgenote hebben op 5 januari 2010 bij het College een aanvraag

om bij stand ingevolge de Wet werk en bij stand (WWB) ingediend. Bij besluit van

19 april 2010 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.2. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

19 april 2010 ongegrond verklaard.

1.3. Verzoeker en zijn echtgenote hebben tegen het besluit van 20 juli 2010 beroep

ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van

27 september 2010, voor zover in dit geding van belang, heeft de voorzieningenrechter

van de rechtbank Roermond het verzoek toegewezen en het College opgedragen

voorschotten op bij stand te verlenen met ingang van 1 september 2010 en tot zes weken

na de datum waarop de rechtbank op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist. Ter zitting

is gebleken dat het College voorschotten heeft verstrekt ter hoogte van 90% van de voor

verzoeker en zijn echtgenote geldende bijstandsnorm tot 1 februari 2011.

1.4. Op 29 april 2010 hebben verzoeker en zijn echtgenote opnieuw bijstand aangevraagd.

Die aanvraag is bij besluit van het College van 30 augustus 2010 afgewezen. Ter zitting

van de voorzieningenrechter van de Raad is gebleken dat het daartegen gemaakte bezwaar

ongegrond is verklaard, dat daartegen bij de rechtbank Roermond beroep is ingesteld, en

dat verzoeker bij de voorzieningenrechter van die rechtbank heeft verzocht een

voorlopige voorziening te treffen. Evenals in het kader van het onderhavige verzoek bij

de voorzieningenrechter van de Raad, heeft verzoeker in die procedure verzocht om bij

wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het College overgaat tot verlening van

voorschotten. Het bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond aanhangige

verzoek is inmiddels ter zitting behandeld. Ter zitting van de voorzieningenrechter van de

Raad is gebleken dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond het verzoek

heeft aangehouden met het oog op te verrichten nader onderzoek naar de vraag of verzoeker en zijn echtgenote in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren vanaf de datum van de nieuwe aanvraag, waarbij dienen te worden betrokken de financiële omstandigheden van verzoeker en zijn echtgenote in de periode voorafgaand aan die aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 juli

2010 ongegrond verklaard.

3.Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt

zich op het standpunt dat de aanvraag van 5 januari 2010 ten onrechte is afgewezen en dat

die afwijzing in hoger beroep geen stand zal kunnen houden.

4.De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de

Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de

voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de

Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek

een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken

belangen, dat vereist.

4.2.Met betrekking tot het spoedeisend karakter van zijn verzoek heeft verzoeker

aangevoerd dat hij over onvoldoende inkomsten beschikt voor de bestrijding van de

noodzakelijke kosten van het bestaan en dat sprake is van oplopende schulden.

Het College heeft onder meer naar voren gebracht dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat verzoeker in ieder geval steeds in staat is geweest om vaste lasten als huur, kosten van energie en water, en premie ziektekosten te betalen.

4.3.Ter zitting van de voorzieningenrechter van de Raad is gebleken dat verzoeker vanaf

7 februari 2011 betaalde arbeid verricht en dat ook zijn echtgenote inkomsten heeft uit

arbeid. Niet in geschil is dat verzoeker en zijn echtgenote uit deze werkzaamheden ten

tijde van de zitting een inkomen - omgerekend naar een maandinkomen - ontvingen ter

hoogte van ongeveer de norm van de voor hen geldende bijstandsnorm. Voorts is niet

gebleken van schulden op grond waarvan de dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting

van de woning van verzoeker van de levering van energie en water of het niet langer

verzekerd zijn voor ziektekosten.

4.4.Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van de Raad van oordeel dat

thans niet kan worden gezegd dat wordt voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed

als bedoeld hi artikel 8:81 van de Awb. Onder de gegeven omstandigheden kan verzoeker

vooralsnog de uitkomst van het hoger beroep, en overigens ook de uitkomst van het

onderzoek dat thans wordt verricht in het kader van het bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond nog aanhangige verzoek als vermeld in onderdeel 1.5 van deze uitspraak, afwachten.

4.5. Nu er reeds hierom geen grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zal het verzoek daartoe worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.


III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.