Centrale Raad van Beroep, 01-03-2011 / 10-1144 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BP7700

Inhoudsindicatie
Herziening en intrekking bijstand. Geen sprake van schending van het huisrecht. Appellanten hadden met de tot hun ten laste komende kinderen ten tijde hier van belang als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB moeten worden beschouwd. Appellanten hebben niet als zelfstandige subjecten van bijstand recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-01
Publicatiedatum
2011-03-17
Zaaknummer
10-1144 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2011/109
Uitspraak

10/1144 WWB

10/1145 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[Appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],


tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 januari 2010, 09/3092 en 09/3094, (hierna: aangevallen uitspraken),


in de gedingen tussen:


appellanten


en


het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)


Datum uitspraak: 1 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroepen ingesteld.


Het Dagelijks Bestuur heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

mr. Van Hemert. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Noorlander, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellanten zijn geruime tijd met elkaar gehuwd. In 1997 zijn zij gescheiden van tafel en bed. Appellant ontving vanaf

16 augustus 1996 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante ontvangt vanaf 1 september 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de WWB, naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit het huwelijk van appellanten zijn drie kinderen geboren.


1.2. Naar aanleiding van de mededeling van een nichtje van appellant bij een huisbezoek op het adres van appellant op

21 april 2005, dat appellant woont op het adres [adres 1] te [plaatsnaam], het adres van appellante, heeft de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben waarnemingen en observaties plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord, is buurtonderzoek ingesteld en zijn appellanten gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 februari 2006.


1.3. Op grond van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche heeft het Dagelijks Bestuur bij twee afzonderlijke besluiten van 7 februari 2007 de bijstand van appellanten over de periode van 11 februari 1999 tot 1 februari 2006 deels herzien en deels ingetrokken. Daarbij zijn voorts de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 96.223,68. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten in genoemde periode, zonder daarvan aan het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.


1.4. Bij twee afzonderlijke besluiten van 23 maart 2009 heeft het Dagelijks Bestuur de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 7 februari 2007 gegrond verklaard, in die zin dat de aanvangsdatum van de herziening/intrekking wordt gesteld op 23 februari 2001 en dat, daarmee samenhangend, het teruggevorderde bedrag wordt verlaagd naar in totaal € 48.725,69. De kosten van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand worden mede teruggevorderd van appellante, de kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand worden mede teruggevorderd van appellant.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 23 maart 2009 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Vaststaat dat appellanten in de in geding zijnde periode van 23 februari 2001 tot 1 februari 2006 gehuwd waren. Door het recht op bijstand van appellanten te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding, heeft het Dagelijks Bestuur een onjuiste maatstaf aangelegd. Het Dagelijks Bestuur had moeten beoordelen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van appellant en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef, en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking komen, de beroepen tegen de besluiten van 23 maart 2009 gegrond zijn en dat deze besluiten wegens strijd met de wet moeten worden vernietigd. De vervolgens aan de orde zijnde vraag of de rechtsgevolgen van deze te vernietigen besluiten in stand kunnen blijven, beantwoordt de Raad op grond van het volgende bevestigend.


4.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.


4.3. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 23 februari 2006 van de sociale recherche, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten gedurende de gehele periode in geding niet feitelijk duurzaam gescheiden leefden. Zo heeft appellant tegenover de sociale recherche verklaard dat hij voor de kinderen in de woning van appellante komt en daar dan gemiddeld één à twee nachten slaapt en dat hij sinds mei/juni 2005 zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. Appellante heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant bijna wel iedere dag bij haar is en af en toe bij haar slaapt. Zij slaapt dan in het stapelbed van de kinderen. Appellanten hebben verklaard dat zij samen naar Turkije reizen voor vakanties. Zij reizen ook samen weer terug. Appellant heeft in de periode van 22 februari 1999 tot 24 november 2004 op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven gestaan. De bewoonster van de [adres] heeft verklaard dat zij al 18 jaar op dat adres woont en dat zij appellant niet kent.


4.4. Appellanten hebben aangevoerd dat zij erg aan elkaar gehecht zijn maar niet samen kunnen leven. Appellant woont elders, maar verblijft regelmatig bij appellante en hun kinderen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader echter niet van belang.


4.5. Anders dan appellanten is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verrichtingen van ambtenaren van de gemeente [naam gemeente] op 21 april 2005 geen huisbezoek zijn geweest in de zin die daaraan door de Raad in zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410, is toegekend. Voor dat oordeel is van belang dat niet is gebleken dat de ambtenaren de woning aan de [adres 3] zijn binnengetreden. Zij hebben slechts aan de deur vragen aan het nichtje van appellant gesteld. Naar het oordeel van de Raad kan in zoverre geen sprake zijn van schending van het huisrecht. Reeds daarom kan de aldus verkregen informatie niet gelden als door schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of door schending van het huisrecht verkregen, en daardoor onrechtmatig bewijs.


4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellanten met de tot hun ten laste komende kinderen ten tijde hier van belang als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB moeten worden beschouwd en dat appellanten niet als zelfstandige subjecten van bijstand recht hebben op bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Aangezien appellanten geen mededeling hebben gedaan van de omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat zij niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden, hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan appellante ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder en aan appellant naar de norm voor een alleenstaande. Het Dagelijks Bestuur was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten

over de periode van 23 februari 2001 tot 1 februari 2006 deels te herzien en deels in te trekken. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is door appellante niet bestreden.


4.8. Tegen de terugvordering zijn door appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank daarover geen bespreking behoeft.


5. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden in beroep voor ieder van appellanten begroot op de helft van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand, nu de Raad de beroepen beschouwt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten worden in hoger beroep voor ieder van appellanten begroot op de helft van € 644,--, eveneens voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 23 maart 2009;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 23 maart 2009 in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan ieder van appellanten het door hen in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.


(get.) N.M. van Gorkum.


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.


RB