Centrale Raad van Beroep, 23-03-2011 / 10-6258 ZW-V


ECLI:NL:CRVB:2011:BP8908

Inhoudsindicatie
Verzet tegen uitspraak waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens te laat betalen van griffierecht. Verzet gegrond verklaard. Het griffierecht is tijdig betaald, maar een zaaknummer ontbrak en er was een onjuist betalingskenmerk vermeld. Het griffierecht is door de Raad per abuis teruggestort.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-03-23
Publicatiedatum
2011-03-24
Zaaknummer
10-6258 ZW-V
Procedure
Verzet



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6258 ZW-V


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 oktober 2010, 10/408 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


Datum uitspraak: 23 maart 2011


I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 16 februari 2011 heeft de Raad het namens appellante door mr. N. van Vliet, advocaat te Breda, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.


Tegen de uitspraak van de Raad van 16 februari 2011 heeft mr. Van Vliet namens appellante verzet gedaan.


II. OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 16 februari 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 3 januari 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellante niet in verzuim is geweest.


Ten gevolge van het gedane verzet ligt thans de vraag voor of het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.


De Raad heeft geconstateerd, zoals door de gemachtigde van appellante in het verzetschrift te kennen is gegeven, dat het verschuldigde griffierecht op 12 januari 2011 tijdig op de rekening van de Raad is bijgeschreven.


Bij de betaling van het verschuldigde griffierecht heeft appellante geen zaaknummer en een onjuist betalingskenmerk vermeld. De Raad is er, naar nu blijkt ten onrechte, vanuit gegaan dat de betaling van appellante betrekking had op een andere bij de Raad aanhangige zaak van appellante, nummer 10/6250 ZW, in welke zaak het griffierecht eveneens op 12 januari 2011 is betaald. Het griffierecht is door de Raad per abuis teruggestort op de bankrekening van appellante.


Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard.


Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 16 februari 2011 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Aan (de gemachtigde van) appellante zal een nieuwe termijn worden gegund voor het voldoen van het verschuldigde griffierecht van € 111,-.


Voor een veroordeling in de kosten van het verzet is geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het verzet gegrond.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


NK