Centrale Raad van Beroep, 05-04-2011 / 09-1647 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0515

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstandsuitkering. 1) De rechtbank heeft appellante in strijd met artikel 6:6 van de Awb en artikel 10, eerste lid, van de Procesregeling niet-ontvankelijk verklaard. Aan appellante is geen concrete termijn gegeven om de gronden in te dienen en bovendien is zij niet gewezen op de mogelijkheid van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bij het uitblijven van de gronden. 2) Appellante heeft niet voldoende meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Geen objectieve medische gegevens waaruit blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. Gedraging is verwijtbaar. Geen grond om de verlaging te matigen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-05
Publicatiedatum
2011-04-12
Zaaknummer
09-1647 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/1647 WWB



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2009, 08/2950 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)



Datum uitspraak: 5 april 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van haar arbeidsre-integratie is zij geplaatst in het re-integratieproject van Pantar Amsterdam (hierna: Pantar).


1.2. Na 2 dagen gewerkt te hebben bij Pantar, heeft appellante zich op 31 januari 2008 ziek gemeld. Zij heeft op 4 februari 2008 met de bedrijfsarts van Achmea Arbo een spreekuurcontact gehad en is door deze per 11 februari 2008 weer volledig arbeidsgeschikt geacht. Appellante heeft op 11 februari 2008 haar werkzaamheden bij Pantar niet hervat en zich op deze datum ook niet opnieuw ziek gemeld.


1.3. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de maand april 2008 met € 200,-- verlaagd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoende heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling waartoe zij op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gehouden is.


1.4. Bij besluit van 10 juni 2008( besluit I) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2008 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar buiten de zes weken termijn is ingediend.


2. Appellante heeft tegen besluit I beroep ingesteld.


2.1. Hangende de behandeling van het beroep heeft het College bij besluit van 9 oktober 2008 (besluit II), onder intrekking van besluit I, het bezwaar ontvankelijk geacht en - alsnog inhoudelijk oordelend - het besluit van 19 maart 2008 gehandhaafd.


2.2. Bij brief van 24 november 2008 heeft de griffier van de rechtbank appellante meegedeeld dat het beroep vooralsnog geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit II. Bij brief van 14 januari 2009 heeft de griffier van de rechtbank appellante opnieuw meegedeeld dat - met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het beroep vooralsnog geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit II, dat appellante abusievelijk bij de brief van 24 november 2008 niet de gelegenheid is geboden om de (aanvullende) gronden van het beroep in te dienen, en dat zij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om dat zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze brief te doen. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2009.


2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank besluit II aangemerkt als een besluit dat volgens de artikelen 6:18, en 6:19, eerste lid, van de Awb in de beoordeling moet worden betrokken. De rechtbank heeft, met een beslissing inzake het griffierecht, het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. Het beroep tegen besluit II is eveneens niet-ontvankelijk verklaard, waaraan de rechtbank het volgende ten grondslag heeft gelegd:

“De rechtbank stelt vast dat de gronden van eiseres zich enkel richten tegen de ten onrechte niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar in bestreden besluit I. Ten aanzien van bestreden besluit II heeft eiseres geen nadere gronden ingediend, ook niet nadat zij door de rechtbank is gewezen op de mogelijkheid om haar gronden ten aanzien van het bestreden besluit II aan te vullen.”


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat de beslissing niet goed is en vervolgens inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand. Naar de Raad uit het hoger beroepschrift begrijpt richt het hoger beroep zich niet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit I.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. In artikel 6:6 van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de destijds geldende Procesregeling Bestuursrecht voor de rechtbank Amsterdam, dient de rechtbank in een brief waarin een termijn wordt gegeven tot herstel van een verzuim op te nemen dat het beroep bij het uitblijven van (tijdig) herstel niet-ontvankelijk kan worden verklaard.


4.2. Gelet op de inhoud van de brief van de griffier van de rechtbank van 14 januari 2009 stelt de Raad vast dat appellante daarbij voor de eerste maal uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om (aanvullende) gronden in te dienen. Nog daargelaten de vraag of toen al kon worden gesproken van een verzuim van appellante (haar oorspronkelijke beroepschrift kon immers alleen maar zien op de in besluit I neergelegde niet-ontvankelijkverklaring), constateert de Raad dat de brief geen concrete termijn bevat waarbinnen de gronden dienden te worden ingediend en dat appellante bovendien niet is gewezen op de mogelijkheid van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit II bij het uitblijven van de gronden.


4.3. Het voorgaande brengt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank appellante in strijd met artikel 6:6 van de Awb en artikel 10, eerste lid, van voormelde procesregeling niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beroep tegen besluit II. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.


4.4. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de zaak na vernietiging van de aangevallen uitspraak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat appellante in hoger beroep een uitgebreide beschouwing heeft gegeven over het in besluit II neergelegde standpunt van het College en dat het College ter zitting van de Raad heeft meegedeeld in te stemmen met afdoening van de zaak door de Raad, is de Raad van oordeel dat een behandeling van de zaak door de rechtbank niet meer nodig is. De Raad zal derhalve het beroep tegen besluit II inhoudelijk beoordelen.


4.5. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


4.6. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


4.7. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam (hierna: Afstemmingsverordening) wordt de bijstand eenmalig met € 200,-- verlaagd wanneer belanghebbende naar het oordeel van het College is tekort geschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden of die, gezien haar aard en doel, met een WWB-voorziening gelijk is te stellen.


4.8. In artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat het College bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, rekening houdt met de omstandigheden en de mogelijkheden van de belanghebbende.


4.9. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening - voor zover hier van belang - kan het College de verlaging lager vaststellen als de belanghebbende door de afstemming met het bedrag van € 200,-- onredelijk zwaar wordt getroffen.


4.10. Niet in geschil is dat appellante ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB verplicht was gebruik te maken van de door het College aangeboden werkvoorziening bij Pantar. Vast staat dat appellante op 11 februari 2008 zonder bericht van verhindering niet is verschenen op haar werk bij Pantar.


4.11. Appellante stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij op 11 februari 2008 niet op haar werk bij Pantar is verschenen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar van de bedrijfsarts een brief meegekregen had dat zij zich op 11 februari 2008 beter moest melden, maar dat dit een foute brief was omdat met de bedrijfsarts was afgesproken dat zij eerst na afloop van haar medicijnenkuur van 10 dagen op 14 februari 2008 weer naar haar werk zou gaan. Zij achtte zich bovendien op 11 februari 2008 wegens ziekte ook niet in staat om te werken.


4.12. Uit het zich bij de stukken bevindende Rapportageoverzicht van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam blijkt dat appellante in het kader van haar ziekmelding op 31 januari 2008 is gezien door de bedrijfsarts op het spreekuur van 4 februari 2008 en dat deze arts, rekening houdend met de omstandigheid dat appellante per 29 januari 2008 een medicijnenkuur van 10 dagen voorgeschreven had gekregen, haar per 11 februari 2008 volledig arbeidsgeschikt heeft geacht. Dit oordeel van de bedrijfsarts is zowel aan Pantar als aan appellante bekend gemaakt. Hierin is dus geen steun te vinden voor het onder 4.11 weergegeven standpunt van appellante. De Raad stelt verder vast dat appellante geen objectieve medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij, anders dan door de bedrijfsarts is aangenomen, wegens ziekte niet in staat was haar werk op 11 februari 2008 te hervatten.


4.13. Gelet op het voorgaande volgt de Raad het College in zijn standpunt dat appellante de hiervoor bedoelde verplichting niet is nagekomen en dat die gedraging haar kan worden verweten. Het College was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, dan ook gehouden de bijstand van appellante in overeenstemming met de Afstemmingsverordening te verlagen. De opgelegde verlaging van de bijstand is in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening.


4.14. In wat appellante verder heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening dan wel dat het College de verlaging van de bijstand met toepassing van artikel 5, eerste lid, van die verordening had moeten matigen.


4.15. De Raad zal het beroep tegen besluit II ongegrond verklaren.


5. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit II niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.



(get.) C. van Viegen.



(get.) R.L.G. Boot.





EW