Centrale Raad van Beroep, 19-04-2011 / 11-1636 WWB-VV


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1746

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Niet gebleken van een voor het college zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. De omstandigheid dat betrokkene in de toekomst kan worden geconfronteerd met een terugvordering acht de Raad niet een zodanig zwaarwegend belang van het college.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-19
Publicatiedatum
2011-04-19
Zaaknummer
11-1636 WWB-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1636 WWB-VV


Centrale Raad van Beroep


Voorzieningenrechter


U I T S P R A A K


als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: verzoeker),


in verband met het hoger beroep van:


verzoeker


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 februari 2011, 10/1232 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


verzoeker


Datum uitspraak: 19 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.


Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Betrokkene ontvangt vanaf 14 maart 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft verzoeker het besluit van 15 april 2010, waarbij het College de aanvraag van betrokkene om bijzondere bijstand voor woonkosten heeft afgewezen, gehandhaafd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de aanvraag had moeten worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking van 22 augustus 2005, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 juni 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank is - samengevat - van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden. Verder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een acute noodsituatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.


3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak tot op het hoger beroep is beslist. Volgens verzoeker kan geen beroep worden gedaan op artikel 16, eerste lid, van de WWB. Psychische klachten en stress als gevolg van een laag inkomen zijn niet voldoende om te kunnen spreken van zeer dringende redenen.


4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.


4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet (BW) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de BW hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2. Verzoeker heeft in het verzoekschrift het spoedeisende karakter van het verzoek om voorlopige voorziening gemotiveerd door zich op het standpunt te stellen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Om de negatieve gevolgen voor betrokkene tot een minimum te beperken, te weten terugvordering van bijzondere bijstand voor woonkosten, verzoekt verzoeker om schorsing van de aangevallen uitspraak.


4.3. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar verwachting van verzoeker niet in stand zal blijven, vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat verzoeker een nieuw besluit op de bezwaren kan nemen in afwachting van en onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep. Indien de Raad, beslissende in de hoofdzaak, tot de slotsom zou komen dat het besluit op bezwaar in rechte stand kan houden, leidt dit tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot vernietiging van het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit.


4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. De omstandigheid dat betrokkene in de toekomst kan worden geconfronteerd met een terugvordering acht de Raad niet een zodanig zwaarwegend belang van verzoeker.


4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.


5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding


III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P. Ruitenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.


(get.) P. Ruitenberg.


ew