Centrale Raad van Beroep, 20-04-2011 / 10-5363 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2100

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering. Voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de visus van appellant. Onvoldoende aanknopingspunten tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Geduide functies zijn in medisch opzicht geschikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-20
Publicatiedatum
2011-04-21
Zaaknummer
10-5363 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5363 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2010, 09/1970 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 20 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 21 december 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het tegen het besluit van 8 mei 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van het Uwv van 23 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2008 het beroep tegen het besluit van 23 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een gebrek in de medische grondslag en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.


1.2. Appellant is vervolgens op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts verschenen, en is op verzoek van deze arts onderzocht door orthopedisch chirurg dr. A.J.M. Sauter en oogarts dr. G.J. van den Horn. Op basis van het rapport van Sauter is er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om verdergaande beperkingen met betrekking tot staan en lopen aan te nemen. Met betrekking tot de visus van appellant is geconcludeerd dat sprake is van verminderde visus en dat een aanvullende beperking op het aspect “zien” moet worden toegevoegd aan de Functionele Mogelijkheden Lijst. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 7 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen er van in stand gelaten en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.


3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van medisch adviseur mr. W.M. van der Boog van 19 oktober 2010, aangevoerd dat er onvoldoende onderzoek is verricht naar zijn visus op de datum in geding. Appellant heeft de Raad verzocht een oogarts te benoemen om nader onderzoek te verrichten.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd stelt de Raad vast dat appellant in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.


4.3.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de visus van appellant op de datum in geding. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Daarbij acht de Raad van belang dat Van den Horn ten tijde van het onderzoek op 15 december 2008 een verminderd gezichtsvermogen van beide ogen heeft geconstateerd, waarschijnlijk op basis van een dubbelzijdige amblyopie. De maximale visus van appellant zou ongeveer 0.5+ kunnen bedragen. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts erkend dat de conclusies van Van den Horn geen betrekking hebben op de datum in geding. Uit oogmetingen verricht in 1996, 1997 en 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts de visus van appellant op de datum in geding afgeleid en daaruit geconcludeerd dat appellant per einde wachttijd meer zag dan ten tijde van het onderzoek van Van den Horn. Met de visus van appellant zoals die op de datum in geding was, kan men volgens de bezwaarverzekeringsarts een krant, boek en werkbriefjes lezen, zich verplaatsen met algemeen gebruikelijke middelen van vervoer en zijn geen hulpmiddelen nodig anders dan een bril met correctie.


4.3.2. Anders dan appellant meent, is de Raad van oordeel dat het Uwv op basis van medische informatie uit 1996 en 1997 inzichtelijk heeft gemaakt dat de situatie per datum onderzoek door Van den Horn ten opzichte van de datum in geding verslechterd is. De Raad wijst in dit verband nog op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

9 november 2010, waarin wordt gereageerd op het rapport van Van der Boog van 19 oktober 2010. Daarin wordt, ter nadere onderbouwing van het standpunt dat sprake is van een verslechtering van de visus, gewezen op het feit dat appellant op 20 april 1998 in dienst is getreden als productiemedewerker en dat appellant zich niet heeft ziek gemeld met visusproblematiek, maar met andere klachten.


4.3.3. De Raad merkt tot slot op dat met een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na 21 december 1999 in dit geding geen rekening kan worden gehouden. Appellant kan zich in een dergelijk situatie tot het Uwv wenden met het verzoek de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.


4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen op de datum in geding is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.


4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) M.A. van Amerongen.


CVG