Centrale Raad van Beroep, 06-04-2011 / 09-434 WMO-T


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2223

Inhoudsindicatie
Toekenning hulp bij het huishouden. Tussenuitspraak. Normtijd 90 minuten voor zwaar huishoudelijk werk. Het College heeft voor de vaststelling van de tijd die nodig is voor het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de Beleidsregels.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-06
Publicatiedatum
2011-04-22
Zaaknummer
09-434 WMO-T
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

09/434 WMO-T


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


T U S S E N U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 november 2008, 08/757 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: College)


Datum uitspraak: 6 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A. Penders, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011. Namens appellante is verschenen mr. D.M.J.M.G. Cuijpers, kantoorgenoot van mr. Penders. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.W.M.J. Wijsma.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging naar een omvang van twee tot vier uur per week. Deze indicatie berustte op een besluit van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) van 12 september 2005 en was geldig tot 7 september 2010.


1.2. Omdat de voorziening huishoudelijke verzorging is overgegaan van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) heeft het College Argonaut Advies B.V. (hierna: Argonaut) gevraagd hem advies uit te brengen over de voortzetting ervan in het geval van appellante. Argonaut heeft het College vervolgens bij rapport van 9 november 2007 verslag gedaan van haar bevindingen en conclusies. Dit rapport is opgesteld door de arts H.A.A. Dautzenberg en berust op dossieronderzoek, een huisbezoek, lichamelijk onderzoek/observatie en door appellante aangeleverde informatie van de behandelend sector. Dautzenberg heeft vastgesteld dat appellante energetische beperkingen heeft, maximaal 5 tot 10 minuten kan staan, minder dan 5 minuten kan knielen of hurken, een beperking heeft bij frequent buigen, minder dan 5 minuten bovenhands kan werken, ongeveer 5 kilogram kan tillen/dragen, buitenshuis maximaal 800 meter kan lopen, niet kan traplopen en beperkt kan fietsen. Dautzenberg heeft vervolgens geconcludeerd dat appellante is aangewezen op huishoudelijke hulp, klasse 1, omdat zij geen zwaar huishoudelijk werk kan verrichten en ook het lichte huishoudelijk werk waarbij op hoogte en laagte moet worden gewerkt, niet kan doen.


1.3. Bij besluit van 26 november 2007 heeft het College appellante in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden categorie HbH 1 naar een omvang van klasse 1 (0 tot en met 1,9 uur per week) voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 juni 2009. Daarbij is aangegeven dat voor het zwaar huishoudelijk werk 90 minuten is geïndiceerd, omdat appellante een eenpersoonshuishouden voert in een kleine woning of appartement. Voor licht huishoudelijk werk is 15 minuten geïndiceerd voor hoog en laag stofafnemen.


1.4. Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 26 november 2007 gemaakte bezwaar heeft Dautzenberg op 13 maart 2008 opnieuw advies uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat appellante de niet-geïndiceerde werkzaamheden zelfstandig kan verrichten. Daarbij merkt de arts op dat hulpmiddelen kunnen worden gebruikt, dat soms de werkwijze moet worden aangepast (bijvoorbeeld zittend strijken met een niet al te zware strijkbout) en dat het werk over de dag en de week kan worden verdeeld.


1.5. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 maart 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rapporten van Argonaut niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onjuist zijn. Appellante stelt dat zij geen stof kan afnemen tussen knie- tot schouderhoogte, niet kan strijken en ook geen boodschappen kan doen. De wijze waarop zij blijkens het onder 1.4 genoemde advies haar huishoudelijke taken dient uit te voeren brengt volgens appellante haar sociale activiteiten, studie en vrijwilligerswerk in gevaar. Verder heeft appellante aangevoerd dat de door het College gehanteerde normtijd van 90 minuten per week voor zwaar huishoudelijk werk in een kleine woning onredelijk laag is. Volgens appellante wordt zij onvoldoende gecompenseerd voor de beperkingen die ze ondervindt in haar zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Ingevolge artikel 8 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Echt-Susteren (hierna: Verordening) kan de door het College ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden;

b. hulp bij het huishouden in natura;

c. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden;

d. een financiële tegemoetkoming te besteden aan hulp bij het huishouden.


4.1.2. Artikel 9, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, van de Wmo voor de in artikel 8, onder a, vermelde voorziening in aanmerking kan worden gebracht indien:

a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, of

b. problemen bij het uitvoeren van mantelzorg

het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.


4.1.3. Artikel 11 van de Verordening bepaalt dat de omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden toegekend:

Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;

Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week (…).


4.2.1. Ter uitvoering van de in de Verordening neergelegde bevoegdheid om voorzieningen te verstrekken heeft het College beleidsregels vastgesteld en neergelegd in het Verstrekkingenboek Wmo Gemeente Echt-Susteren 2006 (hierna: Beleidsregels). In hoofdstuk 3 van de Beleidsregels is aangegeven dat de in de bijlage genoemde normtijden afkomstig zijn uit het protocol huishoudelijke verzorging (lees: Wmo richtlijn Indicatie- advisering voor Hulp bij het Huishouden, van december 2006) van het CIZ (hierna: CIZ richtlijn). In Bijlage II bij hoofdstuk 3 van de Beleidsregels, ‘Handreiking normering hulp bij het huishouden’, is de tijdnormering voor huishoudelijke werkzaamheden opgenomen. Onder het hoofd ‘zwaar huishoudelijk werk’ is onder meer vermeld: “Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week. Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2.”


4.2.2. Onder 3.1.4 van de CIZ-richtlijn is vermeld voor zwaar huishoudelijk werk: “1 persoonshuishouden / < 2 kmrs klasse 1 1x per 3 uur in de 14 dgn, 2 persoonshuishouden / > 3 kmrs klasse 2”. Daarbij is aangegeven dat de omvang van de benodigde ondersteuning meer afhankelijk is van de grootte en inrichting van de woning dan van de aanwezigheid van een extra persoon.


4.2.3. In bijlage 1 van de CIZ-richtlijn is vermeld voor zwaar huishoudelijk werk voor een alleenstaande (seniorenwoning/flat) 90 minuten per week en voor een alleenstaande (eengezinswoning) 180 minuten per week.


4.3. De Raad verwerpt de beroepsgrond van appellante dat de rapporten van Argonaut niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onjuist zijn. Hij overweegt daartoe dat de arts van Argonaut dossieronderzoek heeft verricht, appellante thuis heeft bezocht en haar lichamelijk heeft onderzocht. De arts beschikte daarnaast over informatie van de behandelende sector. Appellante heeft geen medische informatie ingezonden die de Raad aanleiding geeft te twijfelen aan de door de arts van Argonaut op basis van zijn bevindingen getrokken conclusies over de mogelijkheden van appellante om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.


4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij door de spreiding van haar huishoudelijke taken over de dag en over de week overeenkomstig het onder 1.4 genoemde advies van Argonaut geen tijd meer zou overhouden voor haar sociale activiteiten, haar vrijwilligerswerk en haar studie. Appellante heeft in dit verband volstaan met stellingen die zij niet aan de hand van verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Ook de hierop betrekking hebbende beroepsgrond van appellante treft dan ook geen doel.


4.5. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij niet in staat is boodschappen te doen. Het College heeft in het midden gelaten of appellante boodschappen kan doen en zich bij het besluit van 25 augustus 2008 op het standpunt gesteld dat appellante gebruik kan maken van de boodschappenservice. Nu appellante dit niet heeft bestreden, kan haar beroepsgrond dat zij niet in staat is boodschappen te doen, geen doel treffen. Als zij daartoe niet in staat is, kan zij immers nog wel gebruik maken van de boodschappenservice.


4.6. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de door het College gehanteerde normtijd van 90 minuten voor zwaar huishoudelijk werk onredelijk laag is overweegt de Raad als volgt.


4.6.1. De Raad stelt voorop dat in de Beleidsregels geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het standpunt van het College dat met het begrip ‘kamer’ in de zin van bijlage II bij hoofdstuk 3 van die Beleidsregels uitsluitend een ‘slaapkamer’ en niet tevens een ‘woonkamer’ wordt bedoeld. De Raad ziet daarvoor evenmin aanknopingspunten in de CIZ-richtlijn waaruit de door het College gehanteerde normen afkomstig zijn. Bovendien sluit de door het College voorgestane uitleg van het begrip ‘kamer’ niet aan bij het algemeen spraakgebruik.


4.6.2. De Raad begrijpt de Beleidsregels voorts aldus dat bij het indiceren voor zwaar huishoudelijk werk een onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘eenpersoonshuishouden in een huis met twee kamers’ enerzijds en een ‘meerpersoonshuishouden in een huis met meer dan drie kamers’ anderzijds. In het eerste geval worden in beginsel 90 en in het laatste geval in beginsel 180 minuten per week voor het verrichten van dat werk noodzakelijk geacht. Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat de Beleidsregels niet voorzien in een tijdnormering voor het verrichten van zwaar huishoudelijk werk in gevallen, zoals dat van appellante, waarin sprake is van een eenpersoonshuishouden in een huis met drie kamers (een woonkamer en twee slaapkamers).


4.6.3. Hetgeen onder 4.6.2 is overwogen brengt mee dat het College in het geval van appellante voor de vaststelling van de tijd die nodig is voor het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar de Beleidsregels. Dat betekent dat het besluit van 25 maart 2008 niet op een deugdelijke motivering berust zodat het niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dan ook het beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 maart 2008 wegen strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.


4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan de onder 4.6.3 genoemde uitkomst wordt gegeven. Aangezien volgens de Beleidsregels voor het verrichten van de zware huishoudelijke werkzaamheden bij een eenpersoonshuishouden in een huis met twee kamers in beginsel 90 minuten per week nodig is en bij appellante sprake is van een eenpersoonshuishouden in een huis met drie kamers, ligt het niet in de rede dat het College opnieuw 90 minuten per week voor zwaar huishoudelijk werk indiceert. Gelet daarop ziet de Raad geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 25 maart 2008 in stand te laten. Omdat het College zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag hoeveel tijd voor zware huishoudelijke werkzaamheden in beginsel nodig is indien een enkele persoon een huis met drie kamers bewoont, ziet de Raad evenmin mogelijkheden zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2007.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Draagt het College op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 25 maart 2008 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011.


(get.) R.M. van Male.


(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.



HD