Centrale Raad van Beroep, 27-04-2011 / 08-1502 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4167

Inhoudsindicatie
Weigering WAJONG-uitkering. Pervasieve ontwikkelingsstoornis. In opdracht van de Raad is een multidisciplinair rapport opgemaakt. Blijkens dit rapport zijn beperkingen in de FML niet juist weergegeven. Verder achten de deskundigen betrokkene niet in staat om welke functie dan ook te vervullen in reguliere arbeid. De Raad volgt de deskundigen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-04-27
Publicatiedatum
2011-05-12
Zaaknummer
08-1502 WAJONG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1502 WAJONG


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 februari 2008, 07/1547 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant.


Datum uitspraak: 27 april 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend, en zijn stukken ingezonden, waarop door appellant is gereageerd met het inzenden van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden.


Op verzoek van de Raad hebben de psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars en de klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart de Raad, bij rapport van 8 februari 2010, van verslag en advies gediend.


Appellant heeft, onder het inzenden van een rapport van de genoemde bezwaarverzekeringsarts, gereageerd op het verslag van de deskundige.


Desgevraagd heeft de deskundige bij verslag van 16 april 2010, gereageerd op die reactie van appellant.


Appellant heeft op het verslag van de deskundige van 16 april 2010 gereageerd onder het inzenden van een verzekeringsgeneeskundig rapport van de vermelde bezwaarverzekeringsarts.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Voor betrokkene zijn verschenen mr. M.F. Vermaat, advocaat, en haar ouders [namen ouders].


II. OVERWEGINGEN


1.1. Betrokkene, geboren [in] 1985, heeft in 2003 haar VMBO-diploma behaald. Vervolgens is zij een opleiding aan het Grafisch Lyceum St. Lucas begonnen, die zij na een jaar heeft afgebroken. Haar studiefinanciering werd per 1 juli 2004 beëindigd. Van augustus 2004 tot maart 2005 heeft betrokkene als inpakster in loondienst gewerkt in het bedrijf waar ook haar vader werkzaam is. In september 2005 is betrokkene begonnen met de opleiding Fotonica aan het Koning Willem I college, welke opleiding zij op 1 april 2006 heeft moeten staken, nadat zij door de per 1 november 2005 gewijzigde opzet van de opleiding was vastgelopen en depressief was geworden. De studiefinanciering voor deze opleiding werd per 1 april 2006 beëindigd. Uit de zich in het dossier bevindende medische informatie over de jaren 1987, 1988 en 1991 blijkt dat bij betrokkene al in haar kleutertijd sprake was van een ontwikkelingsstoornis. Volgens een psycholoog en een kinder- en jeugdpsychiater is in 2006 duidelijk geworden dat er sprake is van PDD-NOS, en mogelijk het syndroom van Asperger, op dat moment gecompliceerd door depressieve stemmingen en negatieve gedachten.


1.2. Op 19 juni 2006 heeft betrokkene appellant verzocht om per 1 april 2006 in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Bij besluit van 22 december 2006 heeft appellant de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 november 2005 en geweigerd betrokkene in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 29 maart 2007 ongegrond verklaard. Blijkens een in eerste aanleg door appellant nader ingenomen standpunt, wordt betrokkene door appellant, op grond van bij haar bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid, met ingang van de datum aan het einde van de zogenoemde wachttijd voor minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht. De besluiten van 22 december 2006 en 29 maart 2007 berusten op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, onderscheidenlijk heronderzoek.


2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 29 maart 2007 gegrond verklaard, dit besluit, wegens strijd met artikel 3:2, en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in die uitspraak heeft overwogen, en een beslissing gegeven over het griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 4 augustus 2006 onjuist is en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat betrokkene, gelet op haar sociale handicap, ten tijde van belang in het vrije bedrijf de werkzaamheden kon verrichten die haar door appellant zijn voorgehouden. Daarbij heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken de verklaringen die zijn afgelegd door betrokkenes moeder, door haar begeleidster en door de werkgever van betrokkenes vader.


3. In hoger beroep heeft appellant tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank over de FML niet medisch is onderbouwd en dat zij niet heeft vermeld welke onderdelen van de FML onjuist zijn vastgesteld door appellant. Met betrekking tot de schriftelijke verklaring van de werkgever van betrokkenes vader heeft de rechtbank voorts niet vermeld welke belastende factoren er in de desbetreffende werksituatie zijn in relatie tot de FML. Volgens het Uwv is niet door middel van onderzoek vast komen te staan om welke (medische) redenen de tewerkstelling toen niet tot een goed resultaat heeft geleid. Het feit dat deze tewerkstelling is mislukt is niet voldoende grond om - zonder medische onderbouwing - betrokkene volledig arbeidsongeschikt te achten in het kader van de Wajong.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van betrokkene tenminste ligt op de dag waarop betrokkene de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt.


4.2. Inzake de opdracht van de Raad is een multidisciplinair rapport opgemaakt dat is opgesteld door de in rubriek I genoemde deskundigen. Deze deskundigen hebben betrokkene onderzocht en zij hebben de gedingstukken bestudeerd. In antwoord op vragen van de Raad zijn zij, gezien het algemene beloop van pervasieve ontwikkelingsstoornissen en op basis van een uitgebreide analyse van alle ten behoeve van dit onderzoek verzamelde informatie, tot de conclusie gekomen dat betrokkene op de datum in geding leed aan een autisme spectrum stoornis van het type PDD-NOS. Niet duidelijk is of betrokkene toen ook al leed aan een depressief, dan wel dysthym beeld. Uitgesloten worden kan dit echter niet. De deskundigen kunnen zich niet verenigen met de vastgestelde FML. Volgens de deskundigen moet worden vastgesteld dat betrokkene gedurende lange tijd (eigenlijk al haar hele leven) feitelijk zeer marginaal functioneert en dat haar klachten zo ernstig, omvattend en beperkend zijn, dat zij thans een kandidate zou zijn voor een begeleide woonvorm. Dit is eigenlijk de aanduiding van een woonomgeving als waarin zij al langere tijd leeft. Betrokkene heeft intensieve begeleiding nodig vanuit een in autisme spectrum stoornis gespecialiseerd behandelteam. Voor zover de deskundigen kunnen nagaan hebben de ouders van betrokkene een vorm van (voor betrokkene externe) begeleiding gerealiseerd. Volledig in lijn hiermee is de vaststelling dat betrokkene feitelijk geen arbeidsverleden heeft en zelfs in zeer beschermende werkomstandigheden niet kon meekomen. Naar de mening van de deskundigen gelden een groot aantal, in hun rapport opgesomde, beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Die beperkingen verschillen wezenlijk van de beperkingen die zijn opgenomen in de FML. Gebaseerd op (1) het pervasieve en ‘life-span’-karakter van de vastgestelde stoornis, (2) op de verkregen hetero-anamnestische gegevens, en (3) op de bevindingen van het huidige onderzoek, komen de deskundigen tot de conclusie dat betrokkene niet in staat was om de werkzaamheden, zoals vastgesteld door de bezwaararbeidsdeskundige, te verrichten. Gezien de aard, de ernst en het al langdurig bestaan van al haar klachten was en is betrokkene zo beperkt ten aanzien van het verrichten van arbeid, dat zij niet in staat was (en nog steeds niet is) om welke functie dan ook te vervullen in reguliere arbeid.


4.3. Blijkens een rapport van 18 februari 2010 van bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden heeft appellant in het rapport van de deskundigen geen aanleidng gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De gronden waarop de conclusie van de expertises rusten kunnen naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts de conclusie niet rechtvaardigen dat betrokkene op de datum in geding mogelijk de beperkingen had zoals neergelegd in het rapport van deskundigen. Er was bij betrokkene wel sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis van het genoemde type. Die beperkingen van betrokkene, als vermeld in de FML van 4 augustus 2006, zijn toegelicht in de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts vermeldt dat betrokkene vanaf circa haar 13e jaar tot haar 17e jaar regulier onderwijs heeft gevolgd bij het VMBO-T. Dat was voor betrokkene een goede studieomgeving en betrokkene heeft deze middelbare school op een heel goede manier kunnen doorlopen. Betrokkene haalde het diploma in 2003 dit is na het 17e jaar. Na het voltooien van de VMBO is betrokkene gedurende een jaar naar het lyceum gegaan. Betrokkene claimde dat er sinds november 2005 sprake was van angst en depressie. In januari 2006 zag de psycholoog betrokkene voor de eerste keer. Blijkens de schoolopleiding en de informatie van de behandelende psycholoog was er op de datum in geding, nog geen sprake van een ernstig dysthym beeld met de forse beperkingen zoals vermeld door de deskundigen. Met een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo en overige forse beperkingen is het namelijk niet mogelijk om een reguliere middelbare school op een goede manier te doorlopen en het diploma te halen. In 2005 is betrokkene vastgelopen op de fotografie-opleiding en is zij depressief en angstig geworden.

In een nader rapport van 16 april 2010 hebben de deskundigen gereageerd op dit rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden. De deskundigen hebben op basis van alle ten behoeve van het onderzoek van betrokkene verzamelde (aanvullende) informatie de beperkingen gehandhaafd zoals zij die hebben vastgesteld in hun rapport van 8 februari 2010. Ook overigens zijn zij bij hun in dat rapport neergelegde conclusie gebleven. In het rapport van 16 april 2010 citeren de deskundigen ter nadere onderbouwing van die conclusie een beschrijving door de ouders van betrokkene van de omstandigheden waaronder betrokkene is opgegroeid. Voorts halen zij een reactie aan van drs. W.A. Croonen, schoolbegeleider van de VMBO-school waarop betrokkene heeft gezeten. In een rapport van 21 april 2010 is bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden gebleven bij haar in haar in haar eerdere rapporten neergelegde standpunt.


4.4. De Raad stelt vast dat blijkens het verhandelde ter zitting er tussen partijen geen verschil van mening over bestaat dat het rapport van de deskundigen van 8 februari 2010 van toepassing is op de data die in dit geding relevant zijn.


4.5. Desgevraagd is ter zitting namens appellant medegedeeld dat het verschil van mening tussen hem en de deskundigen louter medisch van aard is en dat appellant van oordeel is dat het rapport van de deskundigen vanuit methodisch oogpunt voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook de Raad is van oordeel dat het onderzoek van de deskundigen op voldoende zorgvuldige wijze is verricht. De deskundigen hebben uitvoerig gerapporteerd over hun onderzoek. Zij hebben een samenvatting gegeven van de inhoud van de medische informatie die hun ter beschikking stond. Zij hebben betrokkene onderzocht en een beschrijving gegeven van de gezondheidstoestand van haar en van de bevindingen van hun onderzoek en die bevindingen toegepast op de data die in dit geding van belang zijn. De conclusies van de deskundigen kunnen daarom een deugdelijke grondslag vormen voor de oordeelsvorming door de Raad.


4.6. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad stelt hiertoe vast dat de deskundigen naar aanleiding van hetgeen door het Uwv in reactie op hun rapport van 8 februari 2010 naar voren is gebracht, hun eerdere standpunt nader hebben onderbouwd. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd omtrent de functionele mogelijkheden van betrokkene.


4.7. Op grond van hetgeen de Raad heeft overwogen in 4.2 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke € 644,- bedragen aan kosten van rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;


Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 433,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) T.J. van der Torn.



NW