Centrale Raad van Beroep, 19-05-2011 / 10-2710 AW


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6590

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om uitbetaling van een gesteld verloftegoed. Verloftegoeden van de medewerkers die overgingen naar de intergemeentelijke sociale dienst, zijn overgeheveld naar het nieuwe dienstverband en zijn aldaar op de verlofkaarten bijgeschreven. Appellant had dus in dat kader actie kunnen ondernemen als hij meende dat verlofaanspraken uit het verleden werden miskend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-05-19
Publicatiedatum
2011-06-01
Zaaknummer
10-2710 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2710 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 maart 2010, 09/1009 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam (hierna: college),


Datum uitspraak: 19 mei 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle, en R.J. Kok, werkzaam bij de gemeente Appingedam.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was vanaf 1 maart 2002 aangesteld als [naam funktie] bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Appingedam. Met ingang van 1 januari 2006 is appellant ontslag verleend uit deze functie en is hij in een soortgelijke functie aangesteld bij de nieuw gevormde intergemeentelijke sociale dienst Noordoost.


1.2. In 2003 heeft appellant van zijn leidinggevende toestemming gekregen om voor een belangrijk deel van zijn werktijd een HBO-opleiding maatschappelijk werk te gaan volgen; hiermee is hij in augustus 2003 begonnen. In elk geval vanaf september 2004 heeft appellant vier werkdagen per week besteed aan deze opleiding (volgen van onderwijs en stage). Deze situatie heeft geduurd tot in juni 2005.


1.3. Op 13 april 2005 heeft appellant met zijn leidinggevenden afgesproken dat eventueel over 2004 resterende verlof- en adv-saldi volledig worden doorgehaald en dat appellant zijn verlofopname in 2005 tot een aanvaardbaar minimum zal beperken.


1.4. Omdat appellant geen gehoor gaf aan de opdracht om informatie over zijn studie te verschaffen heeft het college bij besluit van 18 oktober 2005 besloten hem niet langer toe te staan zijn opleiding in werktijd te volgen; daarbij is hem te verstaan gegeven dat hij zijn werkzaamheden voor de volledige betrekkingsomvang op 20 oktober 2005 moest hervatten. Voorts heeft het college bij besluit van 26 oktober 2005 de bezoldiging van appellant gestaakt wegens afwezigheid op het werk. Het besluit tot handhaving van de besluiten van 18 en 26 oktober 2005 is tot in hoger beroep bij de Raad (CRvB 7 mei 2009, LJN BI4847) in stand gebleven.


1.5. Bij brief van 27 augustus 2008 heeft appellant het college verzocht om volgens hem over de jaren 2003, 2004 en 2005 resterende verlofuren uit te betalen. Bij brief van 12 juni 2009 heeft hij dit verzoek herhaald en tevens verzocht de door hem gemaakte studiekosten te vergoeden. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het college afwijzend op deze verzoeken gereageerd. Bij besluit van 24 september 2009 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard. Omdat deze beslissing op bezwaar was genomen in strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het college zelf op 14 januari 2010 een gelijkluidend besluit (hierna: bestreden besluit) genomen.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


3.1.1. De Raad stelt voorop dat als appellant meende dat hij nog aanspraak had op uitbetaling van verloftegoed door het college, van hem mocht worden verwacht dat hij om deze uitbetaling had verzocht omstreeks, althans niet zeer lang na 1 januari 2006, de dag van zijn overgang naar de intergemeentelijke sociale dienst. Het verzoek om uitbetaling dateert evenwel pas van 27 augustus 2008. Weliswaar heeft appellant het college eerder bij brief van 31 maart 2006 om informatie gevraagd over zijn verlofuren en is hierop door de raadsman van het college bij brief van 10 mei 2006 geantwoord dat het aantal verlof- en adv-uren over 2003 en 2004 met appellants instemming op 0 was gesteld, maar vervolgens heeft appellant hierin kennelijk berust. Daar komt bij dat de verloftegoeden van de medewerkers die overgingen naar de intergemeentelijke sociale dienst, zijn overgeheveld naar het nieuwe dienstverband en aldaar op de verlofkaarten zijn bijgeschreven. Appellant had dus in dat kader actie kunnen ondernemen als hij meende dat verlofaanspraken uit het verleden werden miskend. Verder wijst de Raad er nog op dat appellant van gemeentewege bepaald coulant is behandeld nu hem zo ruim gelegenheid is gegeven een opleiding in diensttijd te volgen. Volgens de toepasselijke regelgeving bracht dit wel mee dat naar evenredigheid minder verlofaanspraken werden opgebouwd. Voorts nam appellant voor zover uit de gedingstukken valt op te maken in ieder geval in de zomer vakantieverlof op. Hoewel uit de gedingstukken ook blijkt van langere ziekteperiodes, gedurende welke de opbouw van verlof op de gebruikelijke wijze plaatsvond, is niet erg aannemelijk dat ook de formele aanspraken van appellant op resterend verlof nog van enige betekenis waren. Daarbij passen de afspraken van 13 april 2005 over verval van onderscheidenlijk beperkt op te nemen verlof. Dat het college, overigens in ander verband, zich niet op deze afspraken heeft willen beroepen, doet daaraan niet af.


3.1.2. In deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het college het verzoek van appellant om uitbetaling van een gesteld verloftegoed ten onrechte heeft afgewezen.


3.2. Wat het verzoek van appellant betreft om vergoeding van de kosten van zijn opleiding merkt de Raad op dat appellant niet aan enige wettelijke bepaling aanspraak op zo’n vergoeding kan ontlenen. Ook is hierover geen enkele toezegging gedaan. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die de afwijzing van zijn verzoek niettemin onrechtmatig maken.


3.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord. Hij heeft dit uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht maar verlangt niet dat de Raad aan deze door hem gestelde omissie gevolgen verbindt.


3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.


(get.) A. Beuker-Tilstra.


(get.) K. Moaddine.


HD