Centrale Raad van Beroep, 09-09-2011 / 09-3030 WAO


ECLI:NL:CRVB:2011:BS1099

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Onvoldoende arbeidskundige grondslag. Het Uwv is er niet in geslaagd aan te tonen dat het daadwerkelijk mogelijk en verzekerd is alleen in de ochtend met de werkzaamheden aan te vangen. Omdat het hierdoor onduidelijk is gebleven of twee van de geduide functies voor appellante geschikt zijn te achten, kunnen deze niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-09
Publicatiedatum
2011-09-13
Zaaknummer
09-3030 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/3030 WAO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats], Portugal (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2009, 08/1733 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 9 september 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld en nadien nadere stukken ingezonden.


Het Uwv heeft bij brieven van 18 september 2009 en 1 oktober 2010 nader verweer gevoerd.


De behandeling ter zitting van een meervoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Appellante heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. Van Gorkum, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, waarna de Raad het onderzoek heeft heropend.


Bij brief van 17 januari 2011 heeft het Uwv een nadere vraagstelling beantwoord, waarna gemachtigde van appellante bij brief van 1 februari 2011 een reactie heeft ingezonden. Hierop heeft het Uwv gereageerd met een brief van 4 april 2011 en toezending van een rapportage van de arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep van 29 maart 2011.


Vervolgens heeft de meervoudige kamer de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.


De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 17 juni 2011. Appellante heeft zich daarbij wederom laten vertegenwoordigen door mr. Van Gorkum. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. Dijkstra.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is als postkamermedewerkster werkzaam geweest gedurende 35 uur per week. Nadat zij haar werkzaamheden in juni 1997 wegens psychische klachten had gestaakt, heeft de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellante met ingang van 15 juni 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In september 1999 heeft appellante haar werkzaamheden hervat voor 12 uur per week en is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 21 september 1999 vastgesteld op 65 tot 80%. In februari 2000 is appellante opnieuw uitgevallen waarna de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 maart 2000 opnieuw is vastgesteld op 80 tot 100%. In 2002 is appellante met behoud van uitkering naar Portugal vertrokken.


1.2. Appellante is in 2007 opgeroepen voor een nader medisch onderzoek naar Nederland te komen. Zij is op 31 augustus 2007 onderzocht door de verzekeringsarts D.L. Bouwman. Bouwman heeft bij zijn onderzoek de informatie van W.J. Lubberding, psychiater, J.H. ten Veen, internist, A.E.B. Kleipool, orthopaedisch chirurg en P.A.G.A. Pinta, behandelend psychiater in Portugal, betrokken. Vervolgens heeft Bouwman in zijn rapportage van 17 september 2007 vastgesteld dat appellante arbeid kan verrichten, indien rekening wordt gehouden met de beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 september 2007. Hierna heeft de arbeidsdeskundige J.F. van der Woude in een rapportage van 1 oktober 2007, na functieduiding, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%.


1.3. Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 december 2007 herzien naar de klasse 45 tot 55%.


1.4. In verband met het bezwaar dat appellante tegen het besluit van 8 oktober 2007 heeft gemaakt, heeft de bezwaarverzekeringsarts H.B.M. Hesse een nader onderzoek verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd, appellante op de hoorzitting gezien en aansluitend een lichamelijk onderzoek verricht. Hij heeft tevens aandacht besteed aan de tijdens de hoorzitting overhandigde brief van de voormalige huisarts van appellante van 29 februari 2008. Vervolgens is hij tot de conclusie gekomen dat de arbeidsbeperkingen van appellante in belangrijke mate worden bepaald door de ernst en het beloop van een depressieve stoornis waar zij aan lijdt. Hij heeft in zijn rapportage van 5 maart 2008 aangegeven dat hij geen reden ziet voor een zwaardere arbeidsduurbeperking dan in de primaire fase van de procedure is vastgesteld, namelijk 20 uur per week. Wel merkt hij op dat appellante, gezien haar aandoening en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende beperkingen, overdag een verhoogde behoefte aan rust/slaap heeft en met 4 tot 5 uur per dag maximaal belast is. Voorts stelt hij vast dat appellante niet in wisselende diensten kan werken en alleen ’s ochtends met werken kan beginnen. De FML is vervolgens dienovereenkomstig aangepast.


1.5. De bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars heeft in zijn rapport van 28 maart 2008 aangegeven dat hij een aantal van de eerder geduide functies niet meer geschikt acht, onder meer ten gevolge van de bijstelling van het toegestane werkpatroon. Hij heeft echter geconstateerd dat de overgebleven functies produktiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172), produktiemedewerker textiel (sbc-code 272043), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en de reservefunctie papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagewerker (sbc-code 268040) nog steeds passend zijn voor appellante. Op grond van de wel geschikt geachte functies is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 55 tot 65%.


1.6. Bij besluit op bezwaar van 31 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellantes bezwaar gegrond verklaard en haar WAO-uitkering met ingang van 8 december 2007 gebaseerd op de klasse 55 tot 65%. Daarbij heeft het Uwv wél de kosten vergoed die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, doch geen aanleiding gezien tot vergoeding van de kosten in verband met opgevraagde medische informatie.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen geen reden tot twijfel te zien aan de juistheid van de in de FML vastgelegde belastbaarheid en geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een voldoende deugdelijke medische grondslag. Wat betreft de arbeidskundige component van het bestreden besluit oordeelde de rechtbank dat de uiteindelijk resterende functies aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd en dat het Uwv terecht tot een mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen van 55 tot 65%. Zij zag niet in dat de functies behorend tot de SBC-code 272043 niet aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd omdat deze in de ochtend en de middag aanvangen. Anders dan het Uwv heeft de rechtbank echter geoordeeld dat de kosten voor het opvragen van de medische informatie in bezwaar aan appellante vergoed dienden te worden. De rechtbank heeft derhalve het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voorzover betreffende de afwijzing van de vergoeding van evengenoemde kosten, en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar, de proceskosten in beroep en het in beroep betaalde griffierecht.


3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat met de beschikbare medische informatie kan worden aangetoond dat in de FML een onvoldoende aantal beperkingen is opgenomen. Voorts is aangevoerd dat een tweetal functies niet aan de schatting ten grondslag mogen worden gelegd omdat het functies betreft die zowel in de voormiddag als in de namiddag kunnen worden uitgevoerd. Gesteld wordt dat, indien de betreffende functies in de namiddag moeten worden uitgevoerd, dit in strijd is met de beperkingen zoals deze zijn opgenomen in de FML.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Raad ziet in hetgeen namens appellante naar voren is gebracht geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen.


4.2.1. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in de bezwaarprocedure uiteindelijk de bij overweging 1.5 genoemde functies heeft geselecteerd om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante te bepalen. Uit de beschikbare gegevens is de Raad gebleken dat bij de functie met sbc-code 111172 als arbeidspatroon is aangegeven dat er zowel in de voormiddag als in de namiddag gewerkt kan worden en dat bij de functies behorend tot de sbc-code 272043 één functie met 3 arbeidsplaatsen ook deze aanduiding bevat. In reactie op het hoger beroepschrift heeft Evegaars aangegeven dat in voorgenoemde functies ook alléén in de ochtend gewerkt kan worden en dat daarover afstemming moet plaatsvinden met de werkgever.


4.2.2. Gelet op het feit dat Hesse in zijn rapportage van 5 maart 2008 expliciet heeft overwogen dat appellante met 4 tot 5 uur per dag passend werk maximaal belast is en alleen ’s ochtends met werken kan beginnen en in aanmerking genomen dat in de FML van 5 maart 2008 aan de beperking ten aanzien van het aantal uren per dag (item 6.2.3) een dienovereenkomstige toelichting is toegevoegd, heeft de Raad in een brief van 21 december 2010 het Uwv verzocht aan te geven waar uit de beschikbare gegevens is af te leiden dat de in overweging 4.2.1 genoemde functies op de datum in geding, zijnde 8 december 2007, steeds en zonder meer - en derhalve wat verder ook zij van hetgeen Evegaars op 12 november 2009 in reactie op het hoger beroep van appellante heeft opgemerkt - in de ochtend beschikbaar waren.


4.2.3. Naar aanleiding van het in 4.2.2 vermelde verzoek van de Raad heeft het Uwv de reactie van Evegaars van 29 maart 2011 ingezonden, waarin deze verwijst naar zijn eerdere rapportages van 12 november 2009 en 13 januari 2011. Evegaars verklaart afdoende te hebben toegelicht waarom uit de functiebeschrijvingen blijkt dat in de bij overweging 4.2.1 genoemde functies naar keuze zowel in de voormiddag (06.00 tot 12.00 uur) als in de namiddag (12.00 tot 18.00 uur) gewerkt kan worden. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad op 17 juni 2011 opnieuw het standpunt ingenomen dat de betreffende functies geschikt geacht moeten worden nu deze -ook- in de ochtend beschikbaar zijn geweest.


4.2.4. De Raad kan het Uwv niet volgen in zijn in 4.2.3 weergegeven standpunt. In dit verband verwijst de Raad onder meer naar de rapportage van Evegaars van 28 maart 2008, waarin melding is gemaakt van diens overleg met Hesse in verband met de wijziging van de FML. Door Hesse werd daarin benadrukt dat appellante op medische gronden alleen in de ochtend kon werken. De Raad is van oordeel dat het Uwv met de beantwoording van de in overweging 4.2.2 vermelde vraag, gelet ook op de bewoordingen daarvan, er niet in is geslaagd aan te tonen dat het daadwerkelijk mogelijk en verzekerd is alleen in de ochtend met de werkzaamheden aan te vangen. Omdat het hierdoor onduidelijk is gebleven of de twee in overweging 4.2.1 vermelde functies voor appellante geschikt zijn te achten, is de Raad van oordeel dat deze niet aan de schatting per 8 december 2007 ten grondslag kunnen worden gelegd. Nu het Uwv tevens in de bezwaarfase dan wel nadien, bijvoorbeeld na de vraagstelling van de Raad, er kennelijk van heeft afgezien te beproeven of het mogelijk was om enkele functies bij te duiden moet worden vastgesteld dat thans onvoldoende functies resteren om een schatting op te kunnen baseren.


5. Uit de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.4 vloeit voort dat het bestreden besluit, met uitzondering van de daarbij toegekende vergoeding voor de kosten van het bezwaar, niet in stand kan blijven wegens een onvoldoende arbeidskundige grondslag. Het bestreden besluit is namelijk genomen in strijd met het getalsvereiste voor het aantal functies, neergelegd in artikel g, onder a, van het ten tijde van de datum in geding geldende schattingsbesluit. De namens appellante aangevoerde overige gronden behoeven geen bespreking meer. De Raad zal ook zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 8 oktober 2007 te herroepen. De uitkering van appellante loopt dusdoende per datum in geding ongewijzigd door naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.


6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand begroot de Raad op een bedrag van € 644,- in beroep en € 966,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 2 december 2010, 0,5 punt voor het verschijnen op de zitting van 17 juni 2011 en 0,5 punt voor de reactie op de beantwoording door het Uwv van een nadere vraagstelling van de Raad), in totaal € 1.610,-.Voorts dienen aan appellant – naast de reeds bij het bestreden besluit toegekende vergoeding – ook de door hem gemaakte kosten in bezwaar voor het opvragen van medische informatie ten bedrage van € 113,10 te worden vergoed.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit met uitzondering van de toekenning daarbij van vergoeding van de kosten in bezwaar;

Herroept het besluit van 8 oktober 2007;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van het in overweging 6 vermelde bedrag voor het opvragen van medische informatie in bezwaar;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht vergoedt van € 149,-.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.



(get.) C.W.J. Schoor.



(get.) R.L. Venneman.