Centrale Raad van Beroep, 06-09-2011 / 10-6128 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BS8916

Inhoudsindicatie
Beëindiging voorbereidingsperiode om als zelfstandige een opleidingsinstituut voor patroontekenen te starten. Appellant heeft geen inhoudelijke punten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het IMK-advies. Niet gebleken dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-06
Publicatiedatum
2011-09-15
Zaaknummer
10-6128 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6128 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2010, 10/3214 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel (hierna: College)


Datum uitspraak: 6 september 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Rijkelijkhuizen, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift en een reactie van het IMK ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Jhakrie, werkzaam bij de gemeente Ouder-Amstel. Teven is verschenen

C. Winkel, ondernemerscoach bij het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Appellant heeft in 2008 het plan opgevat om een opleidingsinstituut voor patroontekenen te starten. In verband hiermee heeft het College het IMK gevraagd een ondernemersbeoordeling uit te voeren. Op grond van de door het IMK op 22 oktober 2009 gegeven ondernemersbeoordeling heeft het College bij besluit van 12 november 2009 appellant toestemming gegeven om gebruik te maken van een voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 voor de periode van 15 november 2009 tot 15 november 2010. Het College heeft appellant daarbij onder meer meegedeeld dat de bijstandsverlening gedurende die periode wordt voortgezet onder de voorwaarde dat hij zich laat begeleiden door IMK Intermediair Coaching en de afspraken nakomt die de begeleidingsinstantie met hem maakt, dat de begeleider een verslag maakt van de begeleiding en dat uit de ondernemersbeoordeling is gebleken dat het noodzakelijk is dat appellant aan een aantal workshops deelneemt om zijn ondernemersvaardigheden verder te ontwikkelen.


1.3. Na afloop van de oriëntatiefase heeft het IMK op 4 februari 2010 een eindverslag aan het College uitgebracht. Daarin is het IMK op grond van het resultaat van de oriëntatiefase tot de conclusie gekomen dat het geen zin heeft het re-integratietraject voort te zetten. Besloten is de begeleiding te beëindigen. Het IMK adviseert het College de begeleiding in een andere richting voort te zetten.


1.4. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het College onder overneming van het advies van het IMK de voorbereidingsperiode met ingang van 1 februari 2010 beëindigd.


1.5. Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het College het door appellant tegen het besluit van 18 februari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat appellant geen inhoudelijke punten naar voren heeft gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het IMK-advies van 4 februari 2010.


2.1. Appellant heeft tegen het besluit van 29 juni 2010 beroep ingesteld. In het kader van de behandeling van dat beroep heeft het College een op 19 augustus 2010 gedateerde reactie van het IMK op het beroepschrift ingezonden.


2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 juni 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot het oordeel dat het College de voorbereidingsperiode van appellant in redelijkheid heeft kunnen beëindigen. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer dat uit de eindrapportage en het advies van het IMK van 4 februari 2010 blijkt welke workshops zijn beoordeeld en op welke workshops alsmede waarom appellant onvoldoende heeft gescoord, zodat voldoende inzichtelijk is gemaakt op basis van welke gegevens het advies van het IMK tot stand is gebracht en welke procedure daarbij is gevolgd. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Bovendien heeft appellant geen inhoudelijke punten naar voren gebracht die aanleiding vormen om te twijfelen aan de juistheid van het advies.


3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank op de hierna te bespreken gronden bestreden.


3.2. Het College heeft in zijn verweerschrift de uitspraak van de rechtbank onderschreven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het advies van het IMK niet deugdelijk is en dat niet inzichtelijk is op basis waarvan de daarin vermelde scores tot stand zijn gekomen en welke procedure daarbij is gevolgd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten bieden voor dit standpunt van appellant. Bij dit oordeel heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen. Zoals onder 1.2 is overwogen, diende appellant in het kader van de voorbereidingsperiode een aantal workshops te volgen om zijn ondernemersvaardigheden verder te ontwikkelen. Uit het eindverslag van het IMK komt naar voren dat de oriëntatiefase erop was gericht de kans op haalbaarheid van het bedrijfsidee en de potentiële ondernemersvaardigheden van appellant te toetsen door middel van een viertal workshops. De begeleider van het IMK heeft op basis van de prestaties van appellant tijdens de drie workshops die hij heeft gevolgd, en de door appellant uitgevoerde opdrachten een aantal van belang zijnde aspecten beoordeeld. Deze beoordeling is gespecificeerd per onderdeel en uitgedrukt in scores, waarvan de betekenis in het verslag is toegelicht. Appellant heeft op de meeste onderdelen de score “beperkt, niet ontwikkelbaar” gehaald. Op basis daarvan heeft het IMK de conclusie getrokken dat voortzetting van het traject geen zin had. De Raad is van oordeel dat het College bij zijn besluitvorming heeft mogen afgaan op het eindverslag en advies van het IMK van 4 februari 2010. De omstandigheid dat in dat eindverslag niet gedetailleerd is uiteengezet op grond waarvan het IMK tot de afzonderlijke scores is gekomen leidt de Raad niet tot een ander oordeel.


4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College op basis van het eindverslag van het IMK en het daarin neergelegde advies heeft kunnen besluiten om de voorbereidingsperiode voortijdig te beëindigen.


4.3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de brief van het IMK van 19 augustus 2010 en de ter zitting van de rechtbank door het IMK gegeven uitleg in haar oordeelsvorming heeft betrokken. Deze grond slaagt niet. De rechtbank is immers tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Uit de aangevallen uitspraak kan niet meer worden afgeleid dan dat de in beroep door het IMK verstrekte toelichting op de werkwijze van het IMK en de gevolgde procedure de rechtbank in dat oordeel heeft bevestigd.


4.4. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.



(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.



(get.) R.L.G. Boot.


HD