Centrale Raad van Beroep, 23-09-2011 / 09-4065 ANW


ECLI:NL:CRVB:2011:BT2543

Inhoudsindicatie
Beëindiging vrijwillige verzekering. Afwijzing verzoek om de verzekering van appellante op de naam van haar echtgenoot te stellen. Het had aan appellante duidelijk (...) kunnen zijn dat, teneinde haar van een vervangend inkomen te voorzien bij het overlijden van haar echtgenoot, niet zij doch haar echtgenoot zich had dienen te verzekeren ingevolge de Anw. Voorts had het appellante duidelijk kunnen zijn dat bij haar overlijden haar echtgenoot niet in aanmerking zou komen voor een uitkering ingevolge de Anw omdat hij reeds ouder was dan 65 jaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb desgevraagd nog toegelicht dat aanvragen voor vrijwillige verzekering niet worden beoordeeld op persoonlijke aspecten. De vraag of iemand zich vrijwillig wil verzekeren en voor welke risico’s is dermate afhankelijk van persoonlijke omstandigheden, toekomstverwachtingen en -plannen dat de Svb daar niet in treedt. De Raad is van oordeel dat de Svb geen onterechte verwachtingen heeft gewekt dan wel anderszins - met betrekking tot de informatievoorziening, zoals appellante heeft betoogd - heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan het thans bestreden besluit geen stand zou kunnen houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-09-23
Publicatiedatum
2011-09-26
Zaaknummer
09-4065 ANW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

09/4065 ANW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats] in Spanje (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2009, 08/2168 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)



Datum uitspraak: 23 september 2011



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2011. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, geboren op 2 april 1949, is in 1969 gehuwd met [A.B.], geboren 17 juli 1934. Appellante en haar echtgenoot hebben op 27 november 2001 Nederland verlaten en hebben zich gevestigd in Spanje. Appellante heeft zich op 10 oktober 2001 aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat haar echtgenoot reeds ouder is dan 65 jaar. Bij besluit van 5 februari 2002 is aan appellante meegedeeld dat zij aan deze verzekeringen kan deelnemen per 28 november 2001. Als appellante besluit om slechts aan een van de verzekeringen deel te nemen, dan wordt verzocht dit binnen zes weken na dagtekening van de brief mee te delen.


1.2. In januari 2008 heeft appellante de Svb verzocht de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw te beëindigen. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft de Svb de deelname aan de vrijwillige verzekering beëindigd, waarbij appellante de gelegenheid is geboden hierop terug te komen binnen zes weken.


1.3. Appellante heeft in bezwaar aangevoerd dat haar eerst in december 2007 door een informatiebrief van de SVB duidelijk is geworden dat de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw niet zou hebben kunnen leiden tot een uitkering aan haar echtgenoot daar deze de leeftijd van 65 jaar al had bereikt in 1999. Niet zij doch haar echtgenoot had zich vrijwillig moeten verzekeren ingevolge de Anw. Zij verzoekt de Svb haar verzekering op de naam van haar echtgenoot te stellen. Zij voert daartoe aan dat de premies voor de vrijwillige verzekering altijd van de gemeenschappelijke bankrekening – en dus ook door haar echtgenoot – zijn betaald en dat een en ander is veroorzaakt doordat de Svb tekort is geschoten appellante te informeren. Bij besluit van 18 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.


2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, waarin appellante dezelfde gronden als in bezwaar heeft aangevoerd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante op haar verzoek is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Haar echtgenoot is destijds ook gewezen op de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren ingevolge de Anw. Niet in geschil is dat hij van de mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Met betrekking tot de door de Svb verstrekte informatie overweegt de rechtbank dat het aan appellante duidelijk had moeten zijn dat haar echtgenoot zich had dienen te verzekeren teneinde appellante te voorzien van een uitkering bij zijn overlijden.


3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald. De Svb heeft aangevoerd dat appellante er op is gewezen, in het besluit tot toelating tot de vrijwillige verzekering van 5 februari 2002, dat zij zich vanaf 2001 voor alleen de AOW, alleen de Anw of voor de AOW en Anw samen kon verzekeren. Voorts is er bij het besluit van 5 februari 2002 algemene informatie gevoegd, waarin is uiteengezet hoe de aanspraken ingevolge de Anw zijn geregeld.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Anw voorziet niet in de mogelijkheid de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw die de een, appellante, heeft gesloten op de naam van een ander, haar echtgenoot, te stellen, zoals appellante heeft verzocht. Naar het oordeel van de Raad zijn er ook geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur of algemene rechtsbeginselen op grond waarvan de Svb gehouden kan worden geacht een dergelijk besluit te nemen. De Raad overweegt daartoe als volgt.


4.2. Bij besluit van 5 februari 2002 is appellante meegedeeld dat zij aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw kan deelnemen. In het besluit is vermeld dat appellante zich ook voor alleen de AOW kan verzekeren, daarvoor wordt haar uitdrukkelijk een termijn van zes weken geboden. Voorts is een premieopgave bijgevoegd. Vermeld wordt dat de premieopgave vrijblijvend is en appellante niet verplicht is tot deelname aan de verzekering. Voor informatie over de duur en de voorwaarden van de verzekering wordt verwezen naar het bijgevoegde informatiepakket. Daarin is vermeld dat de informatie zorgvuldig dient te worden gelezen omdat aan de hand daarvan kan worden bepaald of vrijwillige verzekering zinvol is. Elders is vermeld dat appellante zelf, aan de hand van de in de bijlage opgenomen informatie, moet bepalen of vrijwillige verzekering voor appellante interessant is. Onder het kopje Informatie over de Algemene Nabestaandenwet (ANW) is vermeld: “Bij huwelijk of samenwonen met iemand die op de datum van het overlijden verzekerd was voor de Anw, bestaat recht op een nabestaandenuitkering als de nabestaande jonger is dan 65 jaar en (…). Elders is vermeld dat de nabestaandenuitkering eindigt als de nabestaande 65 jaar wordt. Op grond van bovenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het aan appellante duidelijk had kunnen zijn dat, teneinde haar van een vervangend inkomen te voorzien bij het overlijden van haar echtgenoot, niet zij doch haar echtgenoot zich had dienen te verzekeren ingevolge de Anw. Voorts had het appellante duidelijk kunnen zijn dat bij haar overlijden haar echtgenoot niet in aanmerking zou komen voor een uitkering ingevolge de Anw omdat hij reeds ouder was dan 65 jaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb desgevraagd nog toegelicht dat aanvragen voor vrijwillige verzekering niet worden beoordeeld op persoonlijke aspecten. De vraag of iemand zich vrijwillig wil verzekeren en voor welke risico’s is dermate afhankelijk van persoonlijke omstandigheden, toekomstverwachtingen en -plannen dat de Svb daar niet in treedt. De Raad is van oordeel dat de Svb geen onterechte verwachtingen heeft gewekt dan wel anderszins - met betrekking tot de informatievoorziening, zoals appellante heeft betoogd - heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan het thans bestreden besluit geen stand zou kunnen houden.


4.3. Het hoger beroep treft, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2, geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2011.



(get.) H.J. Simon.



(get.) D.E.P.M. Bary.