Centrale Raad van Beroep, 23-12-2011 / 11-2213 WIA


ECLI:NL:CRVB:2011:BU9966

Inhoudsindicatie
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op 58%. Onvoldoende grond voor het oordeel dat het Uwv appellantes functionele beperkingen onvoldoende heeft onderzocht. De functionele beperkingen die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit zijn op de door appellante genoemde punten voldoende draagkrachtig onderbouwd. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is eveneens deugdelijk. Appellante had de aan haar voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in theorie kunnen vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-23
Publicatiedatum
2012-01-03
Zaaknummer
11-2213 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2213 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2011, 10/921

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 23 december 2011



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Namens appellante is nog een stuk toegezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011, waar voor appellante mr. F. Hofstra, advocaat, is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is werkloos geworden uit haar dienstbetrekking van samensteller gedurende 38 uur per week. Zij heeft zich tijdens haar werkloosheid ziek gemeld.


1.2. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het Uwv op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld dat er, gelet op de uitkomst van een geneeskundig en een arbeidskundig onderzoek, voor appellante met ingang van 21 juli 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge deze wet. In dat besluit is tevens vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op 58% en dat de resterende verdiencapaciteit € 958,74 bruto per maand bedraagt.


1.3. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 21 april 2010 ongegrond verklaard.


2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 21 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat zij meer functionele beperkingen heeft met betrekking tot haar persoonlijk en sociaal functioneren - zoals doelmatig handelen en het hanteren van emotionele problemen van anderen - dan door het Uwv is aangenomen. Daartoe heeft zij verwezen naar stukken van haar jobcoach M. Anema uit april 2010, Verslavingszorg Noord Nederland en psycholoog R. Boonstra uit mei 2010, alsmede naar een psychologisch rapport van N. Poelstra en het daarop gebaseerde indicatiebesluit in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) uit september 2010. Zij stelt dat de in aanmerking genomen functies in verband daarmee niet passend zijn.


2.2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1. In hoger beroep heeft appellante benadrukt dat zij ook op 21 juli 2009 niet in staat was werkzaam te zijn op de gewone arbeidsmarkt, maar alleen in een beschermde setting met de nodige begeleiding. De rechtbank heeft haars inziens op onjuiste gronden geoordeeld dat de extra beperkingen die voor haar in het kader van de WSW-beoordeling zijn vastgesteld niet van toepassing zijn in de onderhavige WIA-situatie. Volgens appellante had het Uwv in haar situatie verdergaand onderzoek moeten doen naar de vraag waarom in het kader van de WSW verdergaande beperkingen zijn aangenomen.


3.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift vermeld dat door de bezwaarverzekeringsarts wel degelijk betekenis is toegekend aan de onderzoeken die in het kader van de WSW zijn verricht, maar dat de bezwaarverzekeringsarts de desbetreffende onderzoeksgegevens, met name ook in het rapport van de psycholoog Poelstra, geen objectief-medische aanknopingspunten heeft gevonden om tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellante te komen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1. De Raad ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd onvoldoende grond om te oordelen dat het Uwv appellantes functionele beperkingen onvoldoende heeft onderzocht. Daartoe overweegt de Raad dat in de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, mede op basis van eigen onderzoek, rekening gehouden is met een beperkt persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Deze artsen hebben vervolgens als eigen conclusie getrokken dat appellante is aangewezen op eenvoudig en goed gestructureerd werk. In de beroepsfase heeft de bezwaarverzekeringsarts nader toegelicht waarom hij geen reden aanwezig acht om aan te nemen dat appellante, in een omgeving waarin weinig of beperkte stress aanwezig is, niet doelmatig kan handelen of overbelast zou raken. Pas in deze fase kon rekening worden gehouden met de

WSW-aanvraag en alle daaraan ten grondslag liggende stukken. Ook wanneer deze stukken en het daarop door de bezwaarverzekeringsarts gegeven commentaar in beschouwing worden genomen, acht de Raad, evenals de rechtbank, de functionele beperkingen die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit op de door appellante genoemde punten voldoende draagkrachtig onderbouwd.


4.2. De Raad acht de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eveneens deugdelijk. De Raad komt tot het oordeel dat appellante de aan haar voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in theorie had kunnen vervullen.


4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) I.J. Penning.


TM