Centrale Raad van Beroep, 04-01-2012 / 10-4880 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV0194

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om nabetaling van ZW-uitkering. Dat appellante om medische redenen met ingang van 1 juni 1988 minder zou zijn gaan werken, heeft, wat daarvan zij, niet geresulteerd in een ziekmelding. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde zich tijdig en naar behoren overeenkomstig art. 38 (oud) ZW ziek te melden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-04
Publicatiedatum
2012-01-05
Zaaknummer
10-4880 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4880 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2010, 09/7310 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 4 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Appellante is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster in een volledig dienstverband. Op eigen verzoek is het dienstverband met ingang 1 juni 1988 omgezet in een parttime dienstverband van 80% van de normale werktijd. Op 3 april 1989 heeft appellante zich ziek gemeld. Met ingang van 4 april 1990 is haar een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend op basis van het parttime dienstverband van 80%. Nadat in 1993 door een verzekeringsgeneeskundige van een rechtsvoorganger van het Uwv is vastgesteld dat het ziektebeeld, waarvoor appellante op 3 april 1989 is uitgevallen, ook van toepassing was per 1 juni 1988 is aan appellante met terugwerkende kracht per 26 april 1989 een AAW/WAO-uitkering toegekend, berekend op basis van een volledig dienstverband


1.2. Appellante heeft het Uwv op 13 februari 2009 verzocht om nabetaling van uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) over de periode van 4 april 1988 tot en met 3 april 1989. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard op grond van artikel 38, eerste lid (oud) in samenhang met artikel 44, eerste lid (oud), aanhef en onder f, van de ZW en het besluit van 28 juli 2009 gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd vanwege strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven omdat het Uwv terecht ziekengeld heeft geweigerd over de periode van 4 april 1988 tot en met 3 april 1989.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gebleven. Appellante handhaaft haar verzoek om uitbetaling van ziekengeld over de periode van 4 april 1988 tot en met 3 april 1989. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het Uwv achteraf heeft vastgesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen vóór de datum van de feitelijke ziekmelding. Ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid is zij met ingang van 1 juni 1988 minder gaan werken teneinde haar baan te behouden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Wettelijk kader


Artikel 38, eerste lid (oud), van de ZW bepaalt dat de verzekerde in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verplicht is te zorgen dat daarvan zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur of binnen een zodanige kortere termijn als door het orgaan met de uitvoering belast in zijn reglement is bepaald, na het intreden der ongeschiktheid mededeling (“ziekmelding”) wordt gedaan aan vorenbedoeld orgaan dan wel, indien dat orgaan de werkgever heeft verplicht tot het aangeven van ziektegevallen, aan de werkgever.


Artikel 44, eerste lid (oud) aanhef en onder f van de ZW bepaalt - voor zover van belang - dat het bestuur van de bedrijfsvereniging of van de afdelingskas bevoegd is de uitkering van het ziekengeld geheel of ten dele te weigeren, indien de verzekerde het voorschrift, gegeven in artikel 38, niet opgevolgd heeft. In dat geval mag ziekengeld geweigerd worden over de dagen, voorafgaande aan de tweede dag na die van de ontvangst der ziekmelding.


4.2. Vast staat dat appellante zich eerst op 3 april 1989 voor haar werkzaamheden heeft ziek gemeld. Dat zij om medische redenen met ingang van 1 juni 1988 minder zou zijn gaan werken, heeft, wat daarvan zij, niet geresulteerd in een ziekmelding. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde zich destijds tijdig en naar behoren overeenkomstig artikel 38 (oud) van de ZW ziek te melden. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 44, eerste lid (oud), aanhef en onder f, van de ZW ziekengeld te weigeren gebruik gemaakt op een wijze welke niet in strijd met de redelijkheid kan worden geacht.


4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.


5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) I.J. Penning.


JL