Centrale Raad van Beroep, 18-01-2012 / 10-6498 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BV1245

Inhoudsindicatie
Weigering herziening WAO-uitkering. Arbeidsongeschiktheidsklasse blijft 25 tot 35%. Het medische onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd en de medische grondslag van het bestreden besluit is deugdelijk. De stelling van appellant dat hij meer beperkt is te achten dan in de FML aangegeven, is door hem niet onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt niet aanvaardbaar geacht dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling functies in aanmerking worden genomen waarvan de actualiseringdatum is gelegen na de ter beoordeling voorliggende datum, omdat in dat geval niet kan worden vastgesteld of voldaan is aan de vereisten waaraan de functies bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling moeten voldoen. Dat het Uwv pas is overgegaan tot een arbeidsdeskundige beoordeling van appellants bezwaar op het moment dat het FIS niet meer beschikbaar was, komt voor rekening en risico van het Uwv. Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Opdracht aan het Uwv om een besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-18
Publicatiedatum
2012-01-19
Zaaknummer
10-6498 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6498 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2010, 08/3559 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 18 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2011, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. Van Hoof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.



II. OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.


1.2. Aan appellant is vanwege rug- en psychische klachten in 1985 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per 12 september 1995 is deze WAO-uitkering herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.


1.3. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 20 oktober 2004 toegenomen arbeidsongeschikt is, maar dat zijn uitkering ingevolge de WAO niet wordt herzien met ingang van vier weken na die datum omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij reeds uitkering ontvangt en binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de uitkering begint.


1.4. In zijn (aanvullend) bezwaarschrift van 16 december 2005, naar aanleiding van het besluit van 20 september 2005, heeft appellant onder meer aangevoerd dat al in 1998 bij hem sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van een toename van zijn psychische klachten en dat hij derhalve wel voldeed aan de in het besluit van 20 september 2005 genoemde voorwaarden.


1.5. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard omdat hij naar het oordeel van het Uwv in 1998 niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden. De toename van de arbeidsongeschiktheid is naar de mening van het Uwv pas op 1 oktober 2004 ingetreden. Het Uwv heeft dit besluit doen berusten op een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts.


1.6. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 oktober 2006 het door appellant tegen het besluit van 17 januari 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen, een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dient te nemen.


1.7. Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en bij besluit van 27 april 2007 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellant. Daarbij is het Uwv op grond van een heroverweging door een bezwaarverzekeringsarts tot het standpunt gekomen dat er bij appellant in 1998 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat eerst sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2004. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.


1.8. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 maart 2008 het tegen het besluit van 27 april 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen een nieuw besluit op het door appellant gemaakte bezwaar dient te nemen.


1.9. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 19 maart 2008 heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2008 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard en het besluit van 20 september 2005 gehandhaafd. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant per 1 oktober 1998 toegenomen medische beperkingen had, welke zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 oktober 2008 . Op grond van deze FML is door een arbeidsdeskundige onderzocht wat de omvang is van het verlies aan verdiencapaciteit. Gelet op het maatgevende loon en de theoretische verdiencapaciteit heeft het Uwv vastgesteld dat per 1 oktober 1998 sprake was van een arbeidsongeschiktheid van 19,84%, hetgeen valt binnen de klasse van 15 tot 25%, maar dat appellant bleef ingedeeld in de hogere klasse van 25 tot 35%.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (onder meer) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit gedeeltelijk in stand blijven.


2.2. De rechtbank is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is.


2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen (waar appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):


“7.1 Wat betreft de vraag of de geselecteerde functies terecht geschikt zijn geacht voor eiser, overweegt de rechtbank dat door verweerder in 1998 voor het selecteren van functies gebruik werd gemaakt van het Functie Informatie Systeem (FIS), maar dat dit systeem per 5 november 2001 is vervangen door het huidige Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS). Het is voor verweerder daarom thans niet meer mogelijk om functies te duiden die in 1998 in het FIS hebben gestaan. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft - onder andere - in een uitspraak van 11 oktober 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AU5061, bepaald dat de betrokkene niet op rechtens onaanvaardbare wijze in zijn belangen wordt geschaad wanneer de schatting in een dergelijke situatie tot stand is gekomen met het CBBS. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank het CBBS dan ook gebruiken om de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser te bepalen. Dat neemt echter niet weg dat verweerders arbeidsdeskundige de in geding zijnde datum zo dicht mogelijk dient te benaderen zodat zal moeten worden aangetoond dat de thans geselecteerde functies met een vergelijkbare functieomschrijving en functiebelasting bij de invoering van het CBBS in 2001 reeds voorkwamen. De arbeidsdeskundige heef dergelijke historische gegevens vóór de totstandkoming van het bestreden besluit niet betrokken bij het selecteren van de voor eiser geschikte functies. Derhalve stond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende vast dat de functies op de datum in geding feitelijk op de arbeidsmarkt voorkwamen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren wegens strijd met het motiveringsbeginsel neergelegd in artikel 7:12 van de Awb.


7.2 De bezwaararbeidsdeskundige heeft hangende het beroep alsnog historische gegevens van de functies overgelegd en daarbij gemotiveerd aangegeven waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor eiser. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 9 januari 2009 heeft aangetoond dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies reeds bij de invoering van het CBBS beschikbaar waren. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is de functiebelasting op onderdelen iets anders geformuleerd, in de rapportage van 9 januari 2009 is gemotiveerd dat de functies ook uitgaande van de omschrijving op 1 januari 2002 passend waren voor eiser. Teneinde het geschil tussen partijen zoveel als mogelijk finaal te beslechten zal de rechtbank beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor eiser.


7.9 Gelet op het loon dat eiser in de geselecteerde functies zou kunnen verdienen en het door de arbeidsdeskundige berekende maatmaninkomen, heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 15 tot 25% vastgesteld. De rechtbank komt tot de conclusie dat ook de arbeidsdeskundige grondslag juist is en dat de WAO-uitkering terecht niet is herzien met ingang van oktober 1998.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in zoverre in stand kunnen blijven.”


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gericht tegen het gedeeltelijk in standlaten van de rechtsgevolgen door de rechtbank van het door haar vernietigde besluit en heeft daartoe (samengevat) gesteld dat zijn beperkingen onvoldoende zijn weergegeven in de FML van 13 oktober 2008, dat hij de geduide functies niet kan verrichten en dat de geduide functies, functie-eisen en functie-inhoud uit 2008 niet één op één op die uit 1998 kunnen worden gelegd.


4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.


4.1. De stelling van appellant dat hij meer beperkt is te achten dan in de FML aangegeven, is door hem niet onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. De Raad is van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en stelt zich achter de betreffende overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.


4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep dient met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit de vraag te worden beantwoord of vastgesteld kan worden dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies per de datum in geding,

1 oktober 1998, feitelijk op de arbeidsmarkt voorkomen.


4.3. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad - onder meer de uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153 - dient van de bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betrokken functies genoegzaam vast komen te staan dat deze ten tijde van belang feitelijk op de arbeidsmarkt voorkomen, dat de belasting ervan de belastbaarheid van de betrokken verzekerde niet overschrijdt en dat de beloning zodanig is dat deze leidt tot de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hieruit volgt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aanvaardbaar wordt geacht dat bij een arbeidsongeschiktheids-beoordeling functies in aanmerking worden genomen waarvan de actualiseringdatum is gelegen na de ter beoordeling voorliggende datum, omdat in dat geval niet kan worden vastgesteld of voldaan is aan de vereisten waaraan de functies bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling moeten voldoen.


4.4. In het onderhavige geval heeft de arbeidsdeskundige beoordeling plaatsgevonden op basis van het CBBS. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarbij aangegeven dat een beoordeling per 1998 onmogelijk is, omdat het toen geldende FIS niet meer geraadpleegd kan worden. Wel heeft zij vastgesteld dat de geduide (of soortgelijke), in 2000 geactualiseerde functies passend waren per 1 januari 2002.


4.5. Het CBBS heeft gefaseerd vanaf begin 2002 het FIS vervangen als ondersteunend systeem bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Het FIS is daarna nog een aantal jaren beschikbaar gebleven voor bezwaar- en beroepszaken. Uiteindelijk is het FIS door het Uwv met ingang van 1 januari 2008 buiten bedrijf gesteld, zodat het vanaf die datum niet meer mogelijk is - ook niet in de lopende bezwaar- en beroepszaken - over alle gewenste informatie, zoals de gegevens uit de historische bestanden, te beschikken. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 23 februari 2011, LJN BP5679, komen onder deze omstandigheden de gevolgen van de keuze, dat in lopende bezwaar- en beroepszaken niet meer kan worden nagegaan of voldaan is aan de vereisten waaraan de functies bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling moeten voldoen, geheel voor rekening en risico van het Uwv. Daaraan kan in dit geval naar het oordeel van de Raad niet afdoen dat appellant eerst in zijn bezwaarschrift van 16 december 2005 heeft gesteld dat in 1998 bij hem sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, aangezien in ieder geval op dat moment het FIS nog beschikbaar was. Dat het Uwv pas in de loop van 2008 is overgegaan tot een arbeidsdeskundige beoordeling van appellants bezwaar, op welk moment het FIS niet meer beschikbaar was, en, zoals de rechtbank in haar uitspraak van 19 maart 2008 heeft overwogen, niet eerder invulling heeft gegeven aan de opdracht die de rechtbank heeft gegeven in haar uitspraak van 11 oktober 2006, komt naar het oordeel van de Raad voor rekening en risco van het Uwv. Ook overigens is de Raad in hetgeen is aangevoerd niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat in afwijking van de in 4.3 omschreven hoofdregel bij de onderhavige schatting functies in aanmerking worden genomen waarvan de actualiseringsdatum is gelegen na de ter beoordeling voorliggende datum.


4.6. Gelet op het hiervoor gestelde in 4.2. tot en met 4.5 komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.


5. Voor toepassing van de bestuurlijke lus ziet de Raad gelet op de aard en omvang van het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit geen aanleiding. De Raad zal het Uwv opdragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.


6. De Raad ziet aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uwv.

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van €111,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en B.M. van Dun en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2012.


(get.) Ch. Van Voorst.


(get.) I.J. Penning.


IvR