Centrale Raad van Beroep, 05-01-2012 / 10-5071 AW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV1558

Inhoudsindicatie
Schorsing in het belang van de dienst. Het college had voldoende reden om appellant voor enige tijd zijn werk te ontnemen ten einde onderzoek te doen naar het functioneren van appellant en mogelijkerwijs een beoordeling van appellants functioneren op te maken. Omdat beide schorsingsbesluiten voor een beperkte tijd golden, kan niet gezegd worden dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot schorsing gebruik heeft gemaakt. Ontslag. Het college had het opmaken van een beoordeling niet achterwege mogen laten. Er ontbreekt dus een deugdelijke grondslag voor de beëindiging van de tijdelijke aanstelling. Het gebrek dat aan het ontslagbesluit kleeft kan niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar worden hersteld. De Raad herroept het ontslagbesluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-05
Publicatiedatum
2012-01-24
Zaaknummer
10-5071 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2012/90
Uitspraak

10/5071 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 september 2010, 09/716 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


appellant


en


Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: college)


Datum uitspraak: 5 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. J.W. Menkveld, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle, en H.T.J. Huitema, werkzaam bij de gemeente Hengelo.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Het college heeft appellant in tijdelijke dienst aangesteld op grond van het bepaalde in artikel 2:4, vierde lid, van de Hengelose Arbeidsvoorwaardenregeling (HAR) bij wijze van proef voor het tijdvak van 1 juni 2008 tot 1 juni 2009. De tijdelijke aanstelling in de functie van [naam functie] bij de sector Stedelijke Plannen en Projecten, afdeling Ruimtelijke Ordening en Verkeer zou, op basis van een opgemaakte beoordeling, per 1 juni 2009 worden omgezet in een vaste aanstelling, of worden verlengd met ten hoogste 1 jaar dan wel beëindigd. Van elk van deze drie mogelijkheden is vermeld onder welke voorwaarden deze keuze gemaakt zou worden. Beëindiging van de aanstelling zou plaatsvinden ‘bij ongeschiktheid en indien (rekening houdend met de benoeming in algemene dienst) geen andere functie beschikbaar is’.


1.2. Vanaf 19 december 2008 heeft eiser geen werkzaamheden meer verricht ten gevolge van onder meer een schorsing in het belang van de dienst, opgelegd bij besluiten van 6 januari 2009 en 13 januari 2009. Bij ongedateerd besluit heeft het college appellant meegedeeld dat de tijdelijke aanstelling wordt beëindigd per 9 juni 2009 (hierna: ontslagbesluit). Het tegen de schorsingsbesluiten en het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Inzake de schorsing zag het college zoveel kritiek op het functioneren van appellant dat het dienstbelang een schorsing noodzakelijk maakte. Met betrekking tot het ontslagbesluit achtte het college - kort samengevat - appellant ongeschikt voor zijn functie, was het niet nodig om appellant formeel te beoordelen vanwege de vele voorbeelden van zijn slechte functioneren en hoefde het college appellant geen andere functie op te dragen.


1.3. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gebleven voor zover daarbij het schorsingsbesluit van

6 januari 2009 en het ontslagbesluit gehandhaafd zijn. Omdat de mededeling over de schorsing in de brief van

13 januari 2009 geen zelfstandig rechtsgevolg heeft, heeft de rechtbank het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk verklaard.


2. In hoger beroep heeft appellant de juistheid betwist van de schorsingen en van het ontslagbesluit. Appellant heeft onder meer gewezen op fouten in de feitenweergave door de rechtbank en hij acht onjuist dat het college geen beoordeling heeft opgemaakt alvorens een beslissing over zijn positie te nemen. De kritiek op zijn functioneren is door het college niet aangetoond. Hij is vóór de twee gesprekken in december 2008 niet gewezen op tekortkomingen in zijn functioneren en hem is dus ook de mogelijkheid onthouden zijn functioneren te verbeteren. Hij betwist (de betekenis van) de voorbeelden, die het college tijdens de hoorzitting op 6 april 2009 - voor het eerst - heeft genoemd.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.


3.1. De schorsing.


3.1.1. Na de in december 2008 opgekomen ernstige kritiek van de leidinggevende op de uitvoering van werkzaamheden die - zeker voor een gedeelte - betrekking hadden op politiek gevoelige projecten en de weigering van appellant om gebruik te maken van de door het college geboden mogelijkheid van buitengewoon verlof, had het college naar het oordeel van de Raad voldoende reden om appellant voor enige tijd zijn werk te ontnemen ten einde onderzoek te doen naar het functioneren van appellant en mogelijkerwijs een beoordeling van appellants functioneren op te maken. Omdat beide schorsingsbesluiten voor een beperkte tijd golden, kan niet gezegd worden dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot schorsing gebruik heeft gemaakt.


3.1.2. De Raad volgt de rechtbank dus voor zover zij het bestreden besluit met betrekking tot het schorsingsbesluit van

6 januari 2009 in stand heeft gelaten. Omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het schorsingsbesluit van

6 januari 2009 liep tot en met 16 januari 2009 en het schorsingsbesluit van 13 januari 2009 betrekking heeft op de tijd na

16 januari 2009 en dus zelfstandig rechtsgevolg heeft, kan de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand blijven.


3.2. Het ontslagbesluit.


3.2.1. De Raad volgt de rechtbank niet in het door haar gekozen toetsingskader voor de houdbaarheid van het ontslagbesluit, luidende of het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Omdat ingevolge het aanstellingsbesluit voor de beëindiging van de proeftijdaanstelling per 9 juni 2009 als eerste eis gold dat appellant ongeschikt was voor zijn functie, acht de Raad het aangewezen om in lijn met de uitspraak van de Raad van 21 januari 2010, LJN BL2821 en TAR 2010, 64 de vraag te beantwoorden, of het college de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van appellant aannemelijk heeft gemaakt en of appellant een reële kans heeft gekregen om zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd. Ingevolge het aanstellingsbesluit diende het college zijn beslissing te hebben genomen op basis van een beoordeling van appellant.


3.2.2. Over het ontbreken van de hier voorgeschreven beoordeling vanwege het uitermate slechte functioneren van appellant overweegt de Raad, dat ook hij omstandigheden denkbaar acht waarin een beoordeling achterwege mocht blijven ondanks de hier geldende formele verplichting. Naar het oordeel van de Raad zou daarvoor een situatie vereist zijn, die onmiskenbaar wijst op de absolute ongeschiktheid van de ambtenaar en op het ontbreken van enig nut voor het geven van een verbeterkans. Een dergelijke situatie deed zich hier niet voor, nu het college kritiek had op een aantal door appellant verrichte werkzaamheden en appellant veel van de door het college gestelde feiten over zijn functioneren betwist en of deze in een ander daglicht plaatst. Ook over de door het college genoemde bij herhaling door appellant in het vooruitzicht gestelde tijdige afronding van bepaalde werkzaamheden, waarvoor uiterste data golden, bestaat tussen partijen geen overeenstemming. Deze omstandigheden betreffen bij uitstek een situatie waarin een beoordeling op zijn plaats is en, gelet ook op de uitdrukkelijke vermelding in het aanstellingsbesluit, hier niet mag ontbreken.


3.2.3. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe. Het belang van appellant dat met inachtneming van de rechtspositionele waarborgen een beoordeling over het functioneren wordt opgemaakt waartegen hij desgewenst rechtsmiddelen aan kan wenden ligt in de aanwezigheid van een deugdelijke basis voor de beslissing over de al dan niet voorzetting van de aanstelling hetzij in de eigen functie dan wel in een andere functie. Daarom zal niet licht het ontbreken van een beoordeling gepasseerd kunnen worden door de aanwezigheid van andere stukken die inzicht geven in het functioneren van de ambtenaar, de aanwijzingen van de leidinggevende en/of afspraken tussen beiden over de werkzaamheden. De Raad heeft moeten vaststellen, dat de gedingstukken geen enkel geschrift bevatten dat een dergelijk inzicht geeft. Er is vanaf het begin grotendeels volstaan met mondelinge informatie van de leidinggevende, waarvan slechts de kern of conclusie in geschriften van het college zijn verwoord. Op die wijze ontbreekt zicht op de feitelijke gang van zaken en worden de door het college gestelde tekortkomingen niet geconcretiseerd.


3.2.4. Het college had het opmaken van een beoordeling niet achterwege mogen laten. Er ontbreekt dus een deugdelijke grondslag voor de beëindiging van de tijdelijke aanstelling per 9 juni 2009. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd. Het hoger beroep slaagt in zoverre en het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


3.2.5. De Raad ziet vervolgens aanleiding om het ontslagbesluit te herroepen.

Zoals onder 3.2.1 weergegeven behoorde appellant een reële kans te krijgen om zich waar te maken. Dit vereist onder meer dat hij bij tekortkomingen in zijn functioneren de gelegenheid moet krijgen om zijn functioneren te verbeteren. Terwijl de leidinggevende op 9 december 2008 nog voornemens was om na het winterreces een beoordelingsgesprek te voeren en in mei 2009 een eindbalans op te maken, is appellant op 19 december 2008 rauwelijks van zijn werkzaamheden ontheven en heeft hij nadien niet meer gewerkt, zonder dat de gedingstukken de noodzaak voor deze stap goed duidelijk maken. Ook indien een met onderliggende stukken deugdelijk onderbouwde beoordeling alsnog zou uitwijzen dat er tekortkomingen waren in appellants functioneren tot december 2008, dan is ten gevolge van het ontbreken van aanwijzingen door de leidinggevende en de opgelegde non-activiteit een reële verbeterkans achterwege gebleven. Dit leidt ertoe dat het gebrek dat aan het ontslagbesluit kleeft niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar kan worden hersteld.


3.2.6. Het voorgaande brengt mee dat appellants proeftijdaanstelling na 9 juni 2009 tot heden is doorgelopen. De Raad zal de positie van appellant nader bepalen met inachtneming van hetgeen appellant tijdens zijn aanstelling toekwam. Appellant wordt in zijn oorspronkelijke functie tewerkgesteld. Na een inwerkperiode van ongeveer twee maanden krijgt appellant gedurende een half jaar de gelegenheid zich te bewijzen. Op basis hiervan neemt het college met inachtneming van de in het aanstellingsbesluit van 6 juni 2008 vastgelegde criteria een beslissing over het al dan niet voortzetten van de proeftijdaanstelling.


3.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Het bestreden besluit kan deels wel en deels niet in stand blijven. De Raad zal mede omwille van de duidelijkheid de aangevallen uitspraak in haar geheel vernietigen en doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. Hij neemt hierbij in zijn dictum over de beslissingen van de rechtbank over een bezwaar tegen een in het (ongedateerde) ontslagbesluit herhaalde schorsingsbeslissing en over de proceskosten en het griffierecht, die geen onderwerp hebben gevormd van het hoger beroep.


4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het college op grond van de artikelen 7:15, tweede lid, en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de (proces)kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2009 ongegrond voor zover daarbij de schorsingsbesluiten van 6 januari 2009 en 13 januari 2009 zijn gehandhaafd;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2009 gegrond voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd en vernietigt het besluit van 4 juni 2009 in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen de in het ontslagbesluit vermelde handhaving van de schorsing niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Herroept het ontslagbesluit;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.850,-;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal

€ 374,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


S. Werensteijn.


De griffier is buiten staat te tekenen.


HD