Centrale Raad van Beroep, 13-01-2012 / 10-286 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2012:BV2010

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om terug te komen van het eerder genomen rechtens onaantastbare besluit met betrekking tot weigering WAJONG-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-13
Publicatiedatum
2012-01-27
Zaaknummer
10-286 WAJONG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/286 WAJONG


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 november 2009, 08/720 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 13 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft drs. D.J. Helmink hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 23 november 2010 nadere medische gegevens in het geding gebracht.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2010. Namens appellant is verschenen drs. Helmink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.


De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en heeft aan neuroloog A.H.C. Geerlings verzocht te rapporteren. Deze deskundige heeft op 20 juni 2011 zijn rapport aan de Raad gezonden. Partijen hebben schriftelijk gereageerd op dit rapport.


Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 21 oktober 2011. Namens appellant zijn verschenen drs. Helmink en de ouders van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Clemens.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is [in] 1967 geboren. Vanaf zijn geboorte heeft hij het Sturge-Weber syndroom. Voorts is hij bekend met een goed ingestelde epilepsie en een Attention Deficit Disorder (ADD).


1.2. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Daarbij is overwogen dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2006 ongegrond verklaard.


1.3. Bij uitspraak van de rechtbank Breda van 28 februari 2007 is het door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat er geen aanleiding is de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de nader door hem vastgestelde beperkingen niet te volgen. Tevens heeft de rechtbank opgemerkt dat de uitgebreide informatie van neuroloog dr. A.M. Weber voldoende weerslag heeft gevonden in de aangenomen beperkingen en dat uit die informatie niet afgeleid kan worden dat de belastbaarheid van appellant onjuist is ingeschat. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze uitspraak.

1.4. Bij brief van 3 juli 2007 is namens appellant aan het Uwv verzocht om alsnog een WAJONG-uitkering aan hem toe te kennen. Bij besluit van 17 augustus 2007 is de aanvraag afgewezen omdat uit onderzoek was gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die tot de conclusie moeten leiden dat de beslissing van 20 september 2005 onjuist was.


1.5. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 december 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht, die een terugkomen van de eerdere afwijzing van een WAJONG-uitkering kunnen rechtvaardigen.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder meer - overwogen dat het toegenomen inzicht en de herschikking van de feiten niet zijn terug te voeren op nieuw gebleken feiten of omstandigheden, maar uitsluitend berusten op een nadere beschouwing en beoordeling van de reeds eerder bekende feiten en omstandigheden.


3. Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ter ondersteuning van deze stelling is een brief overgelegd van neuroloog Weber. Daarin merkt Weber op dat de haar in 2007 gepresenteerde medische en andere gegevens uit de periode 1973 tot 1985 haar inzicht en visie op de situatie van appellant aanmerkelijk hebben gewijzigd. Uit deze gegevens blijkt volgens haar dat sprake is van een duidelijke en ernstige ontwikkelingsstoornis ontstaan als gevolg van de gecompliceerd verlopen infectie van de hersenen op 6-jarige leeftijd. Deze stoornis is nog versterkt door het coma, de status epilepticus in 1973 en de opvlammende epilepsie rond het 12e en 17e jaar.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuwe feiten of omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.


4.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, zich op het standpunt stellende dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 20 september 2005 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, met gebruikmaking van de in artikel 4:6 van de Awb omschreven bevoegdheid dat verzoek afgewezen onder verwijzing naar laatstgenoemd besluit.


4.3. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de namens appellant overgelegde medische en andere informatie van de kinderartsen over appellant uit onder meer de jaren 1973 tot 1985 aangemerkt moet worden als nieuwe feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld. De Raad heeft gelet op de overgelegde gegevens aanleiding gezien onder meer deze vraag voor te leggen aan neuroloog Geerlings. In zijn rapport van 20 juni 2011 heeft de deskundige de gestelde vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft hij het volgende opgemerkt:

“De brieven van de kinderartsen uit 1973 geven een beschrijving van een acuut moment in het Sturge-Weber syndroom waaraan betrokkene lijdt. Een dergelijk acuut moment met resterende verschijnselen past binnen de diagnose

Sturge-Weber en werpt dus niet een ander licht op de nadien beschikbare informatie. Het enige nieuwe in de beschikbare informatie is het overzicht van het ziektebeloop van betrokkene zoals dat nadien wordt geschetst door de behandelend neuroloog Weber, waarbij zij duidelijk maakt welke impact de frontale gedragsstoornissen op de levensloop van betrokkene gehad heeft. Dit frontale syndroom is ontstaan in 1973 en is de oorzaak van een lange reeks mislukkingen in opleidingen, arbeidsverhoudingen en sociale relaties.

Op grond van de informatie uit dit overzicht had de bezwaarverzekeringsarts in 2006 naar mijn mening tot een veel verdergaande beperking op basis van psychische en gedragsstoornissen moeten komen, maar dus niet op grond van de brieven van de kinderartsen uit 1973.”


4.4. De Raad is van oordeel dat op grond van deze rapportage geconcludeerd moet worden dat appellant in het kader van de herhaalde aanvraag van 3 juli 2007 geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die niet reeds bekend waren bij het nemen van het besluit van 20 september 2005. Zoals de deskundige gemotiveerd heeft aangegeven kan van de informatie verstrekt door de kinderartsen uit de periode vanaf 1973 niet gezegd worden dat sprake is van relevante nieuwe medische informatie. Verder bevatten de brieven van neuroloog Weber evenmin nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De nadere beschouwingen van Weber zijn, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of omstandigheden, maar berusten uitsluitend op een nadere beschouwing en beoordeling door die arts van de reeds langer bekende feiten en omstandigheden.


4.5. Tot slot is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het feit dat de deskundige heeft opgemerkt dat voor appellant verdergaande beperkingen vastgesteld hadden moeten worden vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Nu geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden is het Uwv niet gehouden om de herhaalde aanvraag van appellant inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen.


4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2012.


(get.) T.L. de Vries.


(get.) H.L. Schoor.



TM