Centrale Raad van Beroep, 24-01-2012 / 09-4089 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV2483

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. Het College heeft op grond van de getuigenverklaringen van de buurman en de buurvrouw, de verklaringen van appellante zelf, de pintransacties in de buurt van het adres van haar ouders en de bevindingen van het huisbezoek, in onderlinge samenhang bezien, terecht vastgesteld dat appellante met haar zoon geen hoofdverblijf had op het door haar opgegeven adres. De onderzoeksbevindingen worden ondersteund door hetgeen namens appellante ter zitting van de Raad is verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-24
Publicatiedatum
2012-02-01
Zaaknummer
09-4089 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/4089 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2009, 09/862 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 24 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Bouter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bouter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving sinds 30 oktober 1992 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woonde volgens eigen opgave met haar minderjarige zoon op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Naar aanleiding van in november 2007 en in januari en februari 2008 ontvangen brieven van buurman [naam buurman] (hierna: buurman), onder andere inhoudend dat hij de indruk had dat appellante haar woning niet zelf bewoonde maar onderverhuurde, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, is informatie ingewonnen en is een buurtonderzoek ingesteld in de omgeving van het adres van appellante. Op 1 oktober 2008 hebben twee handhavingspecialisten van de DWI gesproken met de buurman en buurvrouw [naam buurvrouw] (hierna: buurvrouw). De handhavingspecialisten hebben die dag tevens, zonder dat appellante daarbij aanwezig was, de woning van appellante bezocht en betreden en daar een gesprek gevoerd met twee vrouwen, [I.] en [O.], die naar eigen zeggen bij appellante op bezoek waren. Op 3 oktober 2008 heeft na een gesprek met appellante een aangekondigd huisbezoek in haar woning plaatsgevonden. De buurman en appellante zijn op 9 oktober 2008, respectievelijk 23 oktober 2008 nogmaals gehoord. Uit de bevindingen van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 24 oktober 2008, heeft het College de conclusie getrokken dat appellante sinds 3 oktober 2008 niet meer haar hoofdverblijf had op het door haar opgegeven adres.


1.2. Bij besluit van 19 november 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2009, heeft het College de bijstand vervolgens met ingang van 3 oktober 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante niet woonde op het door haar opgegeven adres en derhalve niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard uitsluitend omdat het College tijdens de procedure bij de rechtbank de op het beroep betrekking hebbende stukken en het verweerschrift niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn had ingediend.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het College heeft ten onrechte gesteld dat zij niet op het door haar opgegeven adres woonde. Dat zij met haar zoon veel bij haar ouders verbleef om haar vader te verzorgen, betekent niet dat zij niet op het door haar opgegeven adres woonde. De buurman is een racist van wie zij veel last heeft, zodat met zijn verklaring geen rekening kan worden gehouden. Van onderhuur van haar woning is geen sprake geweest.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt eerst vast dat in dit geding de periode van 3 oktober 2008 tot en met 19 november 2008 ter beoordeling voorligt.


4.2. Tussen partijen is niet in geschil - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat het huisbezoek van 1 oktober 2008 onrechtmatig is. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ook het huisbezoek van 3 oktober 2008 onrechtmatig is, omdat het een direct gevolg was van het onrechtmatige huisbezoek van 1 oktober 2008. De Raad volgt de gemachtigde van appellante niet in deze stelling. De aanleiding voor dit huisbezoek waren de brieven van de onderbuurman en de gesprekken met de buurman en de buurvrouw op 1 oktober 2008. Op grond van de hierdoor verkregen informatie kon naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid van de door appellante eerder verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie. Verder blijkt uit het dossier dat appellante voorafgaand aan dit huisbezoek is geïnformeerd over de reden van het huisbezoek en dat zij daarvoor toestemming heeft gegeven. Gelet hierop ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek van 3 oktober 2008 als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden aangemerkt en om die reden buiten beschouwing moeten worden gelaten.


4.3. Appellante betwist dat zij ten tijde van belang niet op het door haar opgegeven adres woonde.


4.4. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de belanghebbende recht heeft op bijstand.


4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van de getuigenverklaringen van de buurman en de buurvrouw, de verklaringen van appellante zelf, de pintransacties in de buurt van het adres van haar ouders en de bevindingen van het huisbezoek, in onderlinge samenhang bezien, terecht heeft vastgesteld dat appellante met haar zoon geen hoofdverblijf had op het door haar opgegeven adres. De onderzoeksbevindingen worden ondersteund door hetgeen namens appellante ter zitting van de Raad is verklaard. De gemachtigde van appellante heeft immers verklaard dat appellante ten tijde van belang vrijwel dag en nacht bij haar ouders was en daar ook sliep. De enkele omstandigheid dat appellante bij haar ouders was om haar zieke vader te verzorgen, is, anders dan appellante heeft gesteld, geen grond om aan te nemen dat zij geacht moet worden haar hoofdverblijf op het door haar opgegeven woonadres te hebben behouden. De Raad wijst er daarbij op dat appellante, gelet ook op de getuigenverklaringen van de buurvrouw en buurman, reeds lange tijd feitelijk niet meer op de [adres 1] woonde en daarvan nimmer mededeling aan het College heeft gedaan. De Raad wijst in dit verband ook op het feit dat haar zoon op dit adres geen bed had. Anders dan appellante wil, is er geen grond om de verklaringen van de buurman buiten beschouwing te laten, nu zijn verklaringen overeenkomen met de overige onderzoeksbevindingen. Dat er geen sprake is geweest van onderhuur, zoals appellante stelt, laat onverlet dat zij haar hoofdverblijf ten tijde van belang niet op het door haar opgegeven adres heeft gehad.


4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.


(get.) R.H.M. Roelofs.



(get.) R. Scheffer.



KR