Centrale Raad van Beroep, 31-01-2012 / 09-2120 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV3073

Inhoudsindicatie
Buiten behandelingstelling aanvraag bijstandsuitkering berust op goede gronden. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens overgelegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-31
Publicatiedatum
2012-02-07
Zaaknummer
09-2120 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/2120 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van

20 maart 2009, 09/1313 en 09/709 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)


Datum uitspraak: 31 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nrs. 10/7003 en 10/7004, plaatsgevonden op 20 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.


Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft op 29 oktober 2008 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij brief van 10 november 2008 heeft het College appellant gevraagd om binnen twee weken ontbrekende gegevens te overleggen.

Bij besluit van 3 december 2008 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellant niet binnen de in de brief van 10 november 2008 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.


1.2. Bij besluit op bezwaar van 9 februari 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep van appellant tegen het besluit van

9 februari 2009 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij bij de aanvraag al heeft aangegeven de gevraagde informatie niet in zijn bezit te hebben en dat het van begin af aan al vaststond dat het heel veel moeite zal kosten om de gevraagde informatie te verkrijgen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de bij brief van 10 november 2008 vergunde hersteltermijn heeft overgelegd. Niet betwist is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag van appellant om bijstand. Naar het oordeel van de Raad is appellant, die niet heeft verzocht om verlenging van de hem gegeven termijn, voldoende tijd gegeven om de benodigde gegevens over te leggen. In dit verband wijst de Raad er op dat appellant tijdens de intake op 4 november 2008 heeft meegedeeld dat hij gegevens kon verstrekken over zijn Franse bankrekening. De Raad acht voorts van belang dat appellant blijkens de brief van 5 maart 2009 eerst op die datum heeft getracht bewijs te verkrijgen van de beëindiging van zijn rekening bij de ING.


4.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag om bijstand van 29 oktober 2008 buiten

behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen

maken.


4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van

M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.


(get.) M.C. Nijholt.






EW