Centrale Raad van Beroep, 08-02-2012 / 10-5848 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2012:BV3126

Inhoudsindicatie
Toekenning Wajong-uitkering. Er bestaat op grond van de over appellant beschikbare medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant niet eerder dan per 4 april 2007 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat geen sprake is van een bijzonder geval. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die het aannemelijk maakt dat hij bij het bereiken van zijn achttiende jaar vanwege het gebrek aan inzicht in de ernst en de gevolgen van zijn aandoening niet in staat was om een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-08
Publicatiedatum
2012-02-09
Zaaknummer
10-5848 WAJONG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5848 WAJONG


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2010, 09/31 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 8 februari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. E. Wolter, advocaat.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Namens appellant is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.



II. OVERWEGINGEN


1. Appellant, geboren [in] 1986, heeft een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 19 september 2008 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 4 april 2007, een jaar voor de aanvraag, een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv neemt daarbij het standpunt in dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 26 november 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Op grond van de over appellant beschikbare medische informatie ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant niet eerder dan per 4 april 2007 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat geen sprake is van een bijzonder geval. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die het aannemelijk maakt dat hij bij het bereiken van zijn achttiende jaar vanwege het gebrek aan inzicht in de ernst en de gevolgen van zijn aandoening niet in staat was om een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. De informatie van de GGZ Buitenamstel van 7 augustus 2008, waaruit blijkt dat appellant in 2004 opnieuw is aangemeld bij de GGZ maar niet in zorg lijkt te komen, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het inzicht in de ernst en de gevolgen van zijn aandoening bij appellant ontbrak.


3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een bijzonder geval.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Voor het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2. De Raad stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan haar oordeel te grondslag heeft gelegd dat er geen sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank is daarin voldoende ingegaan op de gronden van appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd. Het hoger beroep heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel geleid.


4.3. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) L. van Eijndthoven.


TM