Centrale Raad van Beroep, 03-02-2012 / 10-1624 AOW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV3364

Inhoudsindicatie
Schuldig nalatig de premie voor de AOW te betalen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-03
Publicatiedatum
2012-02-08
Zaaknummer
10-1624 AOW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1624 AOW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010, 09/1709 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).


Datum uitspraak: 3 februari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft een nader stuk toegezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.



II. OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2. In oktober 2008 heeft de Belastingdienst de Svb, kennelijk met het verzoek te onderzoeken of appellant schuldig nalatig kan worden verklaard, medegedeeld dat appellant nog aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd is over 2003 € 5.863,--.


1.3. Bij brief van 24 december 2008 heeft de Svb appellant hiervan mededeling gedaan en aangegeven dat indien appellant het verschuldigde bedrag voor 5 februari 2009 alsnog volledig betaalt, appellant niet schuldig nalatig wordt verklaard. Voorts is aangegeven dat indien appellant van mening is dat het niet betalen van de aanslag niet aan hem is toe te rekenen hij dit schriftelijk moet aantonen.


1.4. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de Svb aan appellant medegedeeld dat hij over het jaar 2003 schuldig nalatig is de premie voor de Algemene Ouderdomswet te betalen.


1.5. Namens appellant is op 19 februari 2009 tegen het besluit van 2 februari 2009 bezwaar gemaakt.


1.6. Op 21 april 2009 is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2009.


1.7. Bij besluit van 24 april 2009 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2009 ongegrond verklaard. Overwogen is - kort samengevat - dat geen sprake is van een ambtshalve opgelegde aanslag en dat ingevolge het bepaalde in artikel 18a van de Wet financiering volksverzekeringen het beroep of bezwaar niet kan zijn gegrond op het verweer dat de aanslag van de belastingdienst ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, niet-ontvankelijk en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.


3.1. In hoger beroep heeft appellant volstaan met herhaling van zijn in bezwaar en beroep ingediende gronden. Samengevat weergegeven komen deze gronden er op neer dat de Svb met het op 2 februari 2009 genomen besluit ten onrechte niet heeft gewacht tot de aan appellant bij brief van 24 december 2008 gegunde reactietermijn was verstreken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij de aanslag over het jaar 2003 nooit heeft ontvangen. Ten slotte is, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 (LJN BG4156) betoogd dat de hoogte van de aanslag in een procedure als deze wel kan worden betwist.


3.2. De Svb heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de hiervoor in 3.1 samengevatte gronden niet slagen. De Raad heeft daaraan niets toe te voegen en schaart zich achter het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.


5. Uit 4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2012.


(get.) J.P.M. Zeijen.


(get.) H.L. Schoor.


KR