Centrale Raad van Beroep, 23-02-2012 / 10-2261 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV7446

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om vergoeding van geleden materiële en immateriële schade. Appellant heeft niet binnen de verjaringstermijn van vijf jaren zijn vordering ingediend en daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij deze niet kon indienen. Uit de stukken blijkt dat appellant weliswaar steeds aandacht heeft gevraagd voor zijn situatie, maar er is geen sprake van een schriftelijke mededeling waarin appellant zich ondubbelzinnig zijn financiële aanspraak op de overheid voorbehoudt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-23
Publicatiedatum
2012-03-01
Zaaknummer
10-2261 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2261 MAW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2010, 09/4265 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)


Datum uitspraak: 23 februari 2012


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De Staatssecretaris van Defensie heeft geen verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Wiltenburg.


II. OVERWEGINGEN


1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.


2. Appellant was sinds december 1984 werkzaam bij de Koninklijke luchtmacht, in eerste instantie als dienstplichtig soldaat en erna als kort verband vrijwilliger in de functie van hondengeleider/explosievenverkenner bij het [nr. squadron] in [standplaats], Duitsland.

Op 1 januari 1990 is appellant als verdachte van vijf zedendelicten aangemerkt, waarna aan hem is meegedeeld dat zijn aanstelling als kort verband vrijwilliger niet zou worden verlengd.


2.1. Bij brief van 22 augustus 2008 heeft appellant de minister verzocht om vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade die door de minister is toegebracht in de jaren 1989, 1990 en de daarop volgende jaren.


2.2. Bij besluit van 15 september 2008 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen, aangezien geen sprake is van onrechtmatige besluitvorming of anderszins onrechtmatig handelen. Indien wel sprake zou zijn van onrechtmatige besluitvorming heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de eventuele vordering niet meer in rechte afdwingbaar is, nu er meer dan vijf jaren zijn verstreken voordat appellant ter zake in actie is gekomen.


2.3. Bij besluit van 18 mei 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 15 september 2008 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verjaringstermijn in 1990 is gaan lopen. Appellant heeft niet binnen de verjaringstermijn van vijf jaren zijn vordering ingediend en daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij niet eerder dan op 22 augustus 2008 zijn vordering kon indienen.


4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de schade is ontstaan toen hij in 1990 door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en de Duitse Kriminal Polizei (Kripo) te [standplaats] als verdachte van vijf zedendelicten is aangemerkt, waarna de Kmar appellant heeft overgedragen aan de Kripo. De strafzaken zijn uiteindelijk geseponeerd, maar de artikelen 300 en 426 van het Wetboek van Strafrecht zijn gedurende lange tijd achter de naam van appellant blijven staan, ondanks zijn herhaalde verzoeken deze artikelen te verwijderen. De minister is nalatig geweest en heeft geen zorg of nazorg verleend. Verder is appellant van mening dat de verjaringstermijn niet in 1990 is gestart, maar pas op het moment dat de minister in 2008 appellant de mogelijkheid heeft geboden om bezwaar te maken.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar en ligt de aanvang van deze termijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de geleden schade in actie had kunnen komen

(CRvB 23 augustus 2007, LJN BB2371).


5.2. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn in 1990. Hetgeen appellant hierover aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.


5.3. Voorts overweegt de Raad dat de rechtszekerheid er niet aan in de weg staat dat de ambtenaar die een aanspraak zoals genoemd in 5.1 meent te hebben, daarvan, vóór het verstrijken van de termijn, tegenover het betrokken bestuursorgaan doet blijken op zodanige wijze dat de lopende termijn wordt afgebroken en een nieuwe termijn van vijf jaren begint. Uit een oogpunt van kenbaarheid moet hierbij sprake zijn van een schriftelijke mededeling waarin de ambtenaar zich ondubbelzinnig zijn aanspraak voorbehoudt. Deze eis van schriftelijkheid hangt samen met de strekking van een stuitingshandeling, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan het bestuursorgaan dat dit, ook na het verstrijken van de termijn, ermee rekening moet houden dat het de beschikking houdt over gegevens en bewijsmateriaal, opdat het zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de ambtenaar in te dienen verzoek om vaststelling en honorering van de aanspraak behoorlijk kan verweren.


5.4. Toepassing van de onder 5.3 omschreven maatstaf leidt de Raad in dit geval niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het betreft hier een voor appellant zeer vervelende gang van zaken en uit de stukken blijkt dat appellant weliswaar steeds aandacht heeft gevraagd voor zijn situatie, maar de Raad komt tot de conclusie dat geen sprake is van een schriftelijke mededeling waarin appellant zich ondubbelzinnig zijn aanspraak voorbehoudt, zoals in 5.3 bedoeld. De beroepsgrond slaagt niet.


5.5. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.


(get.) K. Zeilemaker.


(get.) M.C. Nijholt.


HD