Centrale Raad van Beroep, 29-02-2012 / 10-2680 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV7527

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Geen twijfel aan de geschiktheid van appellante voor haar eigen arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-29
Publicatiedatum
2012-03-05
Zaaknummer
10-2680 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/2680 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] wonende te [woonplaats] (appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2010, 09/4250 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 29 februari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A. Bozbey, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de feitelijke werkzaamheden van appellante die zij verrichtte als tuinbouwmedewerkster. Het verslag van dit onderzoek is op 2 augustus 2011 aan de Raad gezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bozbey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster gedurende 40 uur per week, heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet op 4 juni 2008 ziek gemeld wegens reumatische klachten. Aan appellante is een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). Appellante heeft diverse keren het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv bezocht en meegedeeld dat zij als gevolg van haar reuma en schildklieraandoening een veelheid aan klachten ondervond. Appellante heeft verteld dat zij hiervoor onder behandeling was van de huisarts, een internist, een reumatoloog en een fysiotherapeut. In het najaar van 2008 heeft appellante ook melding gemaakt van psychische klachten als gevolg van gezinsproblemen.


1.2. Bij onderzoek van appellante op 7 april 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante weer geschikt is voor het laatst verrichte werk. Het Uwv heeft bij besluit van 7 april 2009 vastgesteld dat zij vanaf 13 april 2009 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.


1.3. Bij besluit van 28 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 april 2009, onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van diezelfde datum, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in zijn oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de eigen arbeid te verrichten.


3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellante heeft, net als bij de rechtbank, gesteld dat de klachten, waarmee zij op 4 juni 2008 is uitgevallen, niet zijn verminderd en dat zij niet in staat is arbeid te verrichten. Het onderzoek door het Uwv is onzorgvuldig geweest omdat alleen bij de reumatoloog informatie is opgevraagd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2. Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over de in hoger beroep herhaalde beroepsgronden. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben vanaf 4 juni 2008 rekening gehouden met toegenomen klachten van appellante van haar gewrichten en van vermoeidheid en met psychische klachten. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek op 9 april 2009 vastgesteld dat de gezinsproblematiek is opgelost en van psychische klachten niet langer sprake is. Het door de bezwaarverzekeringsarts op 28 april 2009 verrichte onderzoek van de psyche van appellante heeft geen aanwijzingen gegeven voor een actueel beeld van decompensatie of een invaliderend depressief beeld. Er is geen behandeling meer. Bij de beoordeling van de medische toestand van appellante op 9 april 2009 hebben de verzekeringsartsen verder in aanmerking genomen dat volgens de reumatoloog, zoals blijkt uit de informatie van 31 oktober 2007 en 17 december 2008, sprake is van een onveranderd objectief rustig verlopende seronegatieve reumatoïde artritis met veel subjectieve klachten. De opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat de reumatische aandoening van appellante geen reden is om fysiek niet zwaar belastende arbeid, die afwisselende taken in zich heeft, te vermijden is in lijn met de van de reumatoloog verkregen informatie. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts volgt dat de schildklieraandoening van appellante op medicatie is ingesteld en geen beperkingen geeft. Enige aanleiding voor de bezwaarverzekeringsarts om nadere informatie in te winnen bij de internist was er dan ook niet.


4.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft met zijn rapportage van 2 augustus 2011 een uitgebreide beschrijving gegeven van de feitelijke werkzaamheden van appellante als tuinbouwmedewerkster. De ter zitting door appellante geuite kritiek op deze rapportage, erop neerkomend dat haar werkzaamheden van andere aard waren dan de werkzaamheden van een tuinbouwmedewerkster zoals de bezwaararbeidsdeskundige die bij zijn onderzoek in 2011 heeft waargenomen, laat de Raad terzijde omdat appellante voor haar stelling dat het werk in 2009 fysiek nog aanmerkelijk zwaarder was geen bewijs heeft aangedragen. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de door de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde functiebeschrijving en zijn opvatting gehandhaafd dat de functiebelasting binnen de mogelijkheden van appellante past. Daarmee is elke twijfel aan de geschiktheid van appellante op 9 april 2009 voor haar eigen arbeid weggenomen.


4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.


(get.) M. Greebe


(get.) N.S.A. El Hana


JL