Centrale Raad van Beroep, 08-05-2012 / 10-963 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BW5119

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstandsuitkering. 1) Maatregel gedurende één maand van 100%. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant tekortgeschoten is in de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden, in dit geval voortgezette, voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft niet aan de hand van medische gegevens aannemelijk gemaakt dat hij door zijn fysieke klachten niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. 2) Maatregel gedurende twaalf maanden van 10%. Na de verkoop van zijn woning heeft appellant een bedrag van € 29.906,73 ontvangen. Vast staat dat appellant ten tijde van de aanvraag beschikte over een negatief vermogen. Appellant heeft op geen enkele wijze door middel van concrete en verifieerbare gegevens inzicht gegeven in de wijze waarop hij de opbrengst van de woning heeft besteed. De enkele stelling van appellant dat hij de opbrengst van de woning heeft aangewend ter aflossing van schulden is hiervoor onvoldoende. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellant door zijn handelwijze een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan heeft betoond. Niet gezegd kan worden dat bij appellant terzake van de snelle intering van zijn vermogen elke verwijtbaarheid ontbreekt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-08
Publicatiedatum
2012-05-09
Zaaknummer
10-963 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/963 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2010, 09/1206 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)


Datum uitspraak: 8 mei 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Rodríguez González, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Voor appellant is verschenen mr. N. Bekri, kantoorgenoot van mr. Rodríguez González. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft gedurende de periode van 7 november 2006 tot en met 12 augustus 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen van de gemeente Rotterdam. Op 22 oktober 2007 heeft appellant zijn woning aan de [adres] verkocht. De opbrengst van de verkoop van de woning bedroeg, na aftrek van de kosten, een hypotheek en een lening, € 29.906,73. Vanaf 14 april 2008 volgt appellant via de gemeente Rotterdam een re-integratietraject bij Agens met als doel uitstroom naar reguliere of gesubsidieerde arbeid. Dit traject is op 11 september 2008 - voortijdig - beëindigd.


1.2. Op 21 augustus 2008 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend bij het college. Bij besluit van 12 november 2008 heeft het college aan appellant met ingang van 21 augustus 2008 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij dit besluit heeft het college de bijstand voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Aan deze maatregel ligt ten grondslag dat appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Tevens heeft het college bij dit besluit de bijstand gedurende twaalf maanden verlaagd met 10%. Aan deze maatregel ligt ten grondslag dat appellant in de periode voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag op onverantwoorde wijze heeft ingeteerd op zijn vermogen.


1.3. Bij besluit van 20 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de bij besluit van 12 november 2008 opgelegde maatregelen ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.


Maatregel gedurende één maand van 100%


4.1. Om appellant te begeleiden in het proces van arbeidsactivering is hij op 21 maart 2008 door de gemeente Rotterdam aangemeld voor een re-integratietraject bij Agens. In het kader van dit traject is appellant op 8 september 2008 gestart met werkzaamheden bij [werkgever]. Niet in geschil is dat appellant na één dag niet meer op zijn werk is verschenen. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij niet in staat is om bij de [werkgever] te werken, aangezien hij allergisch is voor diverse stoffen waarmee hij in deze fabriek in aanraking komt. Ten onrechte heeft Agens geen rekening gehouden met zijn klachten bij de plaatsing bij de [werkgever].


4.2. Uit de beëindigingsrapportage van Agens van 11 september 2008 komt naar voren dat appellant door Agens intensief is begeleid richting arbeid en dat hierbij rekening is gehouden met zijn fysieke en psychische problematiek. Uit het rapport blijkt voorts dat appellant zich gedurende het traject regelmatig ziek heeft gemeld en meerdere malen zonder bericht niet is verschenen op afspraken. Met betrekking tot de plaatsing bij de [werkgever] kan uit het rapport worden afgeleid dat appellant in eerste instantie gemotiveerd was de werkzaamheden te verrichten en dat hem door de werkgever werkkleding en beschermingsmiddelen ter beschikking zijn gesteld. Niet gebleken is dat hij bij de plaatsing bij de [werkgever] op voorhand melding heeft gemaakt van beperkingen in verband met zijn allergie. Evenmin is gebleken dat appellant zich op of na de eerste dag heeft ziek gemeld. Na de weigering van appellant de werkzaamheden bij de [werkgever] te verrichten heeft zijn contactpersoon bij Agens op 10 september 2008 telefonisch contact met appellant opgenomen teneinde de situatie te bespreken. Nadat appellant telefonisch op zijn gedrag is aangesproken, ontwikkelde het gesprek zich zodanig, waarbij appellant kwaad was en begon te schelden, dat zijn contactpersoon zich genoodzaakt zag het gesprek te beëindigen. Deze omstandigheden hebben geleid tot een voortijdige beëindiging van het re-integratietraject. Niet gebleken is dat de beëindigingsrapportage, naar appellant stelt, geen juiste en/of volledige weergave bevat van de feiten en omstandigheden die tot beëindiging van het re-integratietraject hebben geleid.


4.3. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant tekortgeschoten is in de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden, in dit geval voortgezette, voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dat het betreffende re-integratietraject is opgestart door de gemeente Rotterdam en deels heeft plaatsgevonden vóór de melding van appellant bij de gemeente Schiedam maakt dit niet anders. Anders dan door appellant is gesteld kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft niet aan de hand van medische gegevens aannemelijk gemaakt dat hij door zijn fysieke klachten niet in staat was de werkzaamheden bij de [werkgever] te verrichten. De door appellant in hoger beroep overgelegde uitdraai van zijn patiëntenkaart van de huisarts is hiervoor onvoldoende. Voorts kan de wijze waarop appellant zijn contactpersoon telefonisch te woord heeft gestaan hem worden aangerekend. Het college was dan ook ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen. Het college heeft de gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie (onder c) als bedoeld in de Maatregelenverordening Nieuwe Waterweg Noord 2004 (Verordening). Artikel 9, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt dat bij deze gedraging de maatregel wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. Nu het re-integratietraject was opgestart door de gemeente Rotterdam heeft het college aansluiting gezocht bij het maatregelenbeleid van deze gemeente en de maatregel beperkt tot 100% gedurende één maand.


4.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin hem de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeerde het college aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Verordening de opgelegde maatregel verder af te stemmen en te beperken tot een lager percentage of een kortere duur. Hetgeen appellant heeft aangevoerd levert evenmin een dringende reden op als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Verordening op grond waarvan het college kan afzien van het opleggen van een maatregel.


Maatregel gedurende twaalf maanden van 10%


4.5. Voor een goede beoordeling van het recht op bijstand is inzicht vereist in de financiële situatie van de betrokkene gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. De wijze van besteding van middelen in die periode kan immers tot afstemming van de bijstand leiden.


4.6. Uit de nota van afrekening van de notaris blijkt dat appellant na de verkoop van zijn woning op 22 oktober 2007 een bedrag van € 29.906,73 heeft ontvangen. Vast staat dat appellant ten tijde van de aanvraag van 21 augustus 2008 beschikte over een negatief vermogen.


4.7. Appellant heeft ter rechtvaardiging van de snelle intering op zijn vermogen gesteld dat hij het geldbedrag heeft aangewend ter aflossing van diverse schulden. Van een onverantwoorde besteding van zijn vermogen zou dan ook geen sprake zijn. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat er sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel, nu de gemeente Rotterdam destijds geen maatregel heeft opgelegd.


4.8. Appellant heeft op geen enkele wijze door middel van concrete en verifieerbare gegevens inzicht gegeven in de wijze waarop hij de opbrengst van de woning heeft besteed. De enkele stelling van appellant dat hij de opbrengst van de woning heeft aangewend ter aflossing van schulden is hiervoor onvoldoende. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellant door zijn handelwijze een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan heeft betoond. Niet gezegd kan worden dat bij appellant terzake van de snelle intering van zijn vermogen elke verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen. Het college is daartoe overgegaan met inachtneming van artikel 13 van de Verordening. Niet is gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant deze gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin appellant verkeert aanleiding had moeten geven om de maatregel te beperken tot een lager percentage of een kortere duur. Bij een verantwoorde intering van zijn vermogen had appellant ook na zijn verhuizing naar de gemeente Schiedam gedurende lange tijd geen aanspraak op bijstand hoeven doen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd levert evenmin een dringende reden op als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Verordening op grond waarvan het college kan afzien van het opleggen van een maatregel.


4.9. Het betoog van appellant dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het enkele feit dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam niet is overgegaan tot het opleggen van een maatregel, maakt niet dat het college ter zake van de gedraging niet tot het opleggen van een maatregel zou kunnen overgaan. Voorts heeft het college een eigenstandige verplichting de bijstand af te stemmen op de gedraging van appellant.


4.10. Tot slot kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat het college bij het opleggen van de maatregelen heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Anders dan door appellant gesteld, heeft het college de besluitvorming niet gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden.


5. Voor de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van schade bestaat, gelet op het voorgaande, geen ruimte. Evenmin bestaat aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.


(get.) J.F. Bandringa.


(get.) V.C. Hartkamp.


HD