Centrale Raad van Beroep, 23-05-2012 / 11-4802 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BW6319

Inhoudsindicatie
Beëindiging uitkering ingevolge de ZW. De Raad stelt zich achter de conclusies van de bezwaararbeidskundige en bezwaarverzekeringsarts.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-23
Publicatiedatum
2012-05-24
Zaaknummer
11-4802 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/4802 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juli 2011, 11/2872 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 23 mei 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H.J. Krouwel, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Krouwel. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als parttime kassamedewerkster, overblijfmoeder en medewerkster naschoolse opvang. Op 30 maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld voor deze werkzaamheden wegens lichamelijke klachten, later zijn daar psychische klachten bijgekomen. In verband hiermee is appellante herhaalde malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 3 december 2010. Hierbij heeft de verzekeringsarts appellante geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellante bij besluit van 7 december 2010 meegedeeld dat zij met ingang van 10 december 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld.


1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 21 februari 2011 - bij besluit van 23 februari 2011 (bestreden besluit), ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingpunten dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport alle klachten van appellante heeft benoemd en in zijn beoordeling heeft meegenomen. Voorts heeft de rechtbank, mede gezien de in het dossier aanwezige medische rapporten van de huisarts, internist, reumatoloog en PsyQ, geen grond om te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante - naar objectieve maatstaven bemeten - hebben onderschat. Dat appellante in het kader van de Wet werk en bijstand om medische redenen vrijstelling heeft gekregen van haar sollicitatieplicht leidt de rechtbank, gelet op het andere beoordelingskader, niet tot een ander oordeel.


3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat zij niet in staat is vanwege haar lichamelijke en psychische klachten haar werkzaamheden te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten onrechte aangenomen dat er sprake is van vermindering van deze klachten; er is eerder sprake van een verslechtering ten opzichte van de datum ziekmelding. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beperkingen onderschat. Verder wordt haar ten onrechte tegengeworpen dat zij eerder wel met de PTSS klachten heeft kunnen werken. Juist omdat ze is blijven doorwerken heeft de stress zich opgebouwd en werd het haar uiteindelijk lichamelijk en geestelijk te veel. In haar werkzaamheden is niet voorzien in de door de primaire verzekeringsarts genoemde mogelijkheden om in afwisseling zittende, staande en lopende activiteiten te verrichten. Het werk is wel degelijk stressvol en belastend. Juist het leiden van een groep kinderen brengt veel verantwoordelijkheid met zich mee en is voorts onvoorspelbaar.


4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.


4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.


4.3. De Raad overweegt in dit verband dat met de in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 februari 2011 weergegeven eigen omschrijving van de werkzaamheden van appellante voldoende inzicht is gegeven in de aard en de omvang van haar werkzaamheden als kassamedewerkster, overblijfmoeder en medewerkster kinderopvang. De Raad heeft in dit verband geen reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige neergelegd in de rapportage van 8 juni 2011 dat de werkzaamheden van appellante weinig stresserend zijn en voldoende afwisseling in zitten, staan en lopen bieden. Het werk met kinderen brengt volgens de bezwaararbeidsdeskundige verantwoordelijkheden met zich mee, is soms stresserend, maar in alle taakonderdelen is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid en de mate van stress is te allen tijde beperkt. Verder hebben de mogelijk optredende stressfactoren geen relatie met de trauma’s van appellante. De bezwaararbeidsdeskundige stelt voorts dat in de functies zitten, staan en lopen voldoende afgewisseld kan worden waarbij ook van belang is dat de verschillende functies in een beperkt aantal uren worden uitgeoefend.


4.4. Met betrekking tot de medische beoordeling ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en onderschrijft de door de rechtbank weergegeven overwegingen. In de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 21 februari 2011 in samenhang met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 juni 2011 is op afdoende wijze gemotiveerd waarom appellante per 10 december 2010 geschikt te achten is voor haar werkzaamheden. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de Obesitas kliniek van 9 november 2011 en PsyQ van 13 maart 2012 is de Raad van oordeel dat deze als zodanig geen nieuwe gezichtspunten bevat. De Raad heeft hierbij geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 22 maart 2012 dat van de op 7 maart 2011 gevonden matig ernstige depressie niet vaststaat dat deze op datum in geding ook al bestond en zou dit wel het geval zijn geweest dan heeft dit geen gevolgen omdat het werk in kwestie stressarm is.


5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.


(get.) C.P.J. Goorden.


(get.) L. van Eijndthoven.


SG