Centrale Raad van Beroep, 06-07-2012 / 11-1276 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BX0648

Inhoudsindicatie
Na herbeoordeling is de WAO-uitkering ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Geen onzorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van een invaliderende psychiatrische stoornis. Geschiktheid functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-06
Publicatiedatum
2012-07-09
Zaaknummer
11-1276 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1276 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 februari 2011, 09/7163 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 6 juli 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.F. Bähr.



OVERWEGINGEN


1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als stukadoor, heeft in verband met klachten als gevolg van een liesbreuk, nierklachten, psychische klachten en knieproblemen vanaf 5 oktober 2000 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts appellant op 12 februari 2009 medisch onderzocht en de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst. De arbeidsdeskundige heeft appellant ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid en geschikt voor een aantal geselecteerde functies, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 25 tot 35% bedroeg. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de WAO-uitkering ongewijzigd is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig en onvolledig is geweest en het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Voorts is aangevoerd dat de verzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend artsen, zoals de uroloog, de neuroloog en de psychiater. Namens appellant is een brief van de huisarts van 2 september 2009 met een groot aantal bijlagen in geding gebracht, alsmede een brief van de psychiater van 4 september 2009. Nadat de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van de verzekeringsarts heeft bevestigd en de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid voor de voorgehouden functies heeft onderschreven, is het bezwaar bij besluit van 24 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellant op12 februari 2009 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en appellant ook in juli 2008 al had gezien. Voorts heeft deze arts de informatie van de huisarts bij de beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting gezien en informatie bij de behandelende psychiater en de huisarts opgevraagd. Ten aanzien van de in beroep door appellant overgelegde brief van de huisarts van 2 september 2009 met bijlagen heeft de rechtbank overwogen, dat die informatie geen reden geeft te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, omdat die informatie reeds in de bezwaarprocedure was ingebracht en bij de beoordeling was betrokken. Ook de stelling dat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de niersteenproblematiek volgt de rechtbank niet, omdat de bezwaarverzekeringsarts de ter zake beschikbare informatie van de behandelend uroloog bij het vaststellen van de belastbaarheid heeft meegewogen.


4. In hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de medische grondslag van het bestreden besluit heeft onderschreven. Er zou onvoldoende zijn gebleken dat het Uwv bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening heeft gehouden met de informatie van de psychiater, waar appellant op 27 maart 2009 is geweest in verband met een her-aanmelding vanwege recidiverende angstklachten. Daarnaast zouden de rugklachten zijn onderschat.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2. De stelling van appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest wordt niet onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat appellant door de verzekeringsarts was onderzocht en appellant - om hem moverende redenen - niet heeft meegewerkt aan een lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Voorts is door de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Op basis van alle beschikbare informatie is tot een vaststelling van en - in bezwaar - heroverweging van de belastbaarheid gekomen.


5.3. Wat betreft de psychische klachten wordt overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van psychiater Kasi van 4 september 2009 bij zijn beoordeling heeft betrokken. In die rapportage is melding gemaakt van een angststoornis waarvoor medicatie werd voorgeschreven. Voorts is in die brief aangegeven dat appellant eens per maand wordt gezien voor een gesprek. De Raad kan, gezien deze informatie, appellant niet volgen in zijn stelling dat sprake is van een invaliderende psychiatrische stoornis op grond waarvan appellant niet in staat zou zijn tot sociaal en persoonlijk functioneren.


5.4. Ten aanzien van de lichamelijke klachten wordt overwogen dat zich een groot aantal stukken in het dossier bevindt van onder andere de uroloog in verband met de niersteenproblematiek, van de neuroloog in verband met de rugproblematiek en van de huisarts. De rugklachten zijn door de neuroloog als a-specifiek aangeduid. Deze arts heeft het uitgebreide klachtenpatroon niet kunnen objectiveren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden om appellant verdergaand beperkt te achten voor arbeid. Er wordt met de rechtbank geen aanleiding gezien dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Ook de stelling van appellant dat hij niet in staat is huishoudelijke taken te vervullen rechtvaardigt niet de conclusie dat appellant verdergaand beperkt zou moeten worden geacht.


5.5. Uit overweging 5.2, 5.3 en 5.4 volgt dat de rechtbank de medische beoordeling op goede gronden heeft onderschreven. De Raad ziet in de beschikbare gegevens evenmin aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat hij om medische redenen niet in staat zou zijn de hem voorgehouden functies te vervullen. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.



(get.) J.W. Schuttel.



(get.) J.R. Baas.




CVG