Centrale Raad van Beroep, 18-07-2012 / 12-1353 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BX1786

Inhoudsindicatie
Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Geen recht (meer) op ziekengeld. De (door de rechtbank benoemde) deskundige heeft bij appellant zowel fysieke als psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid vastgesteld. Daarnaast heeft de deskundige aanleiding gezien beperkingen ten aanzien van het te hanteren arbeidspatroon aan te nemen. Appellant wordt, rekening houdende met deze beperkingen in staat geacht zijn arbeid, dat door de artsen als psychisch en fysiek weinig belastend is omschreven, te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-18
Publicatiedatum
2012-07-19
Zaaknummer
12-1353 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1353 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 januari 2012, 10/1524 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 18 juli 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.



OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam in de functie van montage medewerker (slotenmaker) bij Nemef voor 40 uur per week. Op 31 december 2008 heeft hij zich met rugklachten, na een val van zijn fiets, ziekgemeld. Appellant heeft nadien psychische klachten gekregen.


1.2. Bij besluit van 11 juni 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 11 juni 2010 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.


1.3. Bij besluit van 28 juli 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen dit besluit, onder verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts W.H. van Leeuwen van 28 juli 2010, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de bevindingen en conclusies van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts S. Knepper, ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellant is van oordeel dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Daarnaast zijn er volgens appellant bijzondere omstandigheden om het rapport van de rechtbankdeskundige niet te volgen. Het rapport is niet zorgvuldig tot stand gekomen, mede omdat een toegezegd afrondend gesprek door toedoen van de deskundige niet heeft plaatsgehad. Daarnaast wordt de conclusie van de deskundige niet door controleerbare onderzoeksbevindingen gedragen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder 'zijn arbeid' wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam is geweest als productiemede-werker montage (slotenmaker), is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.


4.2. Verzekeringsarts R.A. van Baarle heeft in zijn rapport van 11 juni 2010 een uitgebreide beschrijving gegeven van de belastingkenmerken van de werkzaamheden die appellant, voordat hij uitviel, als montagemedewerker (slotenmaker) gedurende 40 uur per week heeft verricht. Appellant heeft niet gesteld dat hij voor zijn uitval ander werk verrichtte en heeft evenmin de door de verzekeringsarts beschreven belastingkenmerken betwist. Gelet op de door de verzekeringsarts gegeven beschrijving van de belasting van het eigen werk van appellant en het feit dat de juistheid van deze beschrijving door appellant niet is betwist, had de verzekeringsarts ten tijde van zijn beoordeling een juist beeld van de omvang en belasting van het laatstelijk door appellant verrichte werk.


4.3. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 18 juni 2011 beschreven dat bij appellant mogelijk sprake is van een milde aanpassingsstoornis. Dit in combinatie met slaapproblemen en medicatiegebruik leidt volgens de deskundige tot beperkingen ten aanzien van werken in lang (uren) volgehouden hoog tempo, veelvuldige onderbrekingen of het lang onder tijdsdruk moeten werken. Vanwege appellants fysieke klachten acht de deskundige beperkingen aanwezig ten aanzien van het hanteren van zware lasten, frequent volgehouden reiken, buigen en torderen. Daarnaast wordt appellant beperkt geacht ten aanzien van langdurig gebogen of boven schouderhoogte actief zijn. Qua arbeidspatroon wordt appellant niet in staat geacht om ’s avonds of ’s nachts werkzaam te zijn. De deskundige kan zich verenigen met de bevindingen van de artsen van het Uwv en acht appellant op de datum in geding in staat zijn arbeid als montage medewerker (slotenmaker), zoals omschreven in het rapport van onder meer verzekeringsarts Van Baarle, te verrichten.


4.4. De rechtbank heeft de door haar ingeschakelde deskundige terecht gevolgd. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant daartoe geen aanleiding bestaat.


4.4.1. Uit het rapport van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige blijkt dat de conclusies van deze deskundige niet enkel gebaseerd zijn op bevindingen uit het onderzoek. De deskundige heeft naast de medische gegevens die zich al in het dossier bevonden, tevens recente informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. Op basis van het geheel aan bevindingen heeft de deskundige bij appellant zowel fysieke als psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid vastgesteld. Daarnaast heeft de deskundige aanleiding gezien beperkingen ten aanzien van het te hanteren arbeidspatroon aan te nemen.


4.4.2. Appellant wordt, rekening houdende met deze beperkingen in staat geacht zijn arbeid, dat door de artsen als psychisch en fysiek weinig belastend is omschreven, te verrichten. Nu appellant geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij op de datum in geding meer beperkingen had dan waarvan de deskundige in zijn rapport is uitgegaan, is er geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van deze deskundige en af te wijken van de eerder genoemde vaste rechtspraak.


4.5. De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de in geding zijnde datum 11 juni 2010 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten, zodat per die dag geen recht (meer) bestaat op een ZW-uitkering.


4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen tot betaling van proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.



(getekend) C.P.J. Goorden


(getekend) D. Heeremans




TM