Centrale Raad van Beroep, 18-07-2012 / 10-4353 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX2046

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor algemene bijstand en bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en de bewindvoering. Geen geldige verblijfsvergunning. Niet in geding is dat appellant tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de Raad thans tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 3 of 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-18
Publicatiedatum
2012-07-19
Zaaknummer
10-4353 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4353 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2010, 09/5051 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)


Datum uitspraak: 18 juli 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Voor appellant zijn verschenen mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is een vermoedelijk 51-jarige man van buitenlandse komaf die lijdt aan uitgebreide cognitieve functiestoornissen op basis van vasculaire dementie. Appellant is sinds 4 mei 2008 opgenomen op de afdeling Neurologie van het VU Medisch Centrum te Amsterdam. Hij verbleef in aansluiting op zijn opnamen in het VU Medisch Centrum en ook thans in zorgcentrum Tabitha te Amsterdam.


1.2. Op 26 april 2009 heeft appellant algemene bijstand en bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en de bewindvoering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) bij het college aangevraagd.


1.3. Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen omdat hij niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning.


1.4. Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2009 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 23 november 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) nu appellant wordt opgevangen en verzorgd. Niet is gebleken dat, indien de belangen van appellant niet langer behartigd worden door zijn mentor/bewindvoerder er wel een situatie zou ontstaan die in strijd met artikel 3 van het EVRM zou zijn.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 26 april 2009 tot en met 6 oktober 2009 (hierna: de te beoordelen periode).


4.2. Niet in geding is dat appellant tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.


4.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00) kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in verband met dit laatste op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05.


4.4. In zijn uitspraken van 9 november 2011, LJN BU4382 en van 22 november 2011, LJN BU6844 heeft de Raad geoordeeld, dat indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in 4.3 niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de Raad thans tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 3 of 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De Raad wijst in dit verband opnieuw op de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA4652, heeft gegeven aan artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA). Op grond van deze uitleg heeft het COA de publiekrechtelijke bevoegdheid - en gehoudenheid - om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Rva 2005 valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als hier bedoeld na te komen. Voorts wijst de Raad op zijn uitspraken van 19 april 2010, LJN BM0956, en 22 november 2011, BU6844, waarin is geoordeeld dat indien ten aanzien van kwetsbare personen die gezien artikel 3 of 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming hebben, is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder bepaalde omstandigheden met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000 maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning dient te worden geboden. De Raad is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het college gehouden was de aanvraag af te wijzen omdat appellant niet behoorde tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.


4.5. Het voorgaande brengt met zich mee dat de Raad de vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden kan en zal laten.


4.6. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 3 van het EVRM geldt mutatis mutandis hetgeen hiervoor in 4.4. is overwogen.


4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling is dan ook geen grond.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.


(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert


(getekend) J. van Dam


RB