Centrale Raad van Beroep, 30-07-2012 / 12-3570 AW-VV


ECLI:NL:CRVB:2012:BX3408

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Het door verzoekster aangevoerde levert niet een spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Louter het volstrekt niet akkoord kunnen gaan met het genomen nieuwe besluit levert geen spoedeisend belang op. De nijpende financiële omstandigheden die zouden ontstaan wanneer de voorlopige voorziening niet wordt getroffen zijn onvoldoende concreet onderbouwd, waarbij de voorzieningenrechter het op voorhand niet aannemelijk acht dat sprake is van een financiële noodsituatie, gelet op de voorzieningen die de minister bij zijn ontslagbesluit van 5 juni 2012 aan verzoekster heeft toegekend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-30
Publicatiedatum
2012-08-02
Zaaknummer
12-3570 AW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3570 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter


Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening


Partijen:


[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)


de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)


Datum uitspraak 30 juli 2012.


PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ?s-Gravenhage van 20 september 2011, 11/1025 en 11/4270 (aangevallen uitspraak). Verzoeksters tegelijk gedane verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 19 december 2011, 11/6154 AW-VV, toegewezen.


Het hoger beroep, geregistreerd onder nummer 11/6153 AW, is op 6 februari 2012 ter zitting behandeld. Het onderzoek ter zitting is geschorst en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.


Bij uitspraak van 13 februari 2012, 11/730 AW-VV en 11/729 AW, heeft de voorzieningenrechter van de Raad verzoeksters beroep tegen het uitblijven van een besluit ter uitvoering van de uitspraak van 19 december 2011, 11/6154 AW-VV, niet-ontvankelijk verklaard en haar tegelijk gedane verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.


De behandeling ter zitting van de zaak onder nummer 11/6153 AW door de meervoudige kamer heeft, gevoegd met twee hoger beroepen van verzoekster die zijn geregistreerd onder nummers 10/2293 AW en 10/4635 AW, plaatsgevonden op 19 april 2012. Het onderzoek ter zitting is in alle drie de zaken geschorst.


De minister heeft op 5 juni 2012 een nieuw besluit genomen. Dit besluit is onder nummer 12/3628 AW bij de zaak met nummer 11/6153 AW betrokken. Ten aanzien van dit besluit heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening.


Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek ter zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft de minister verzoekster met ingang van 1 oktober 2010 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 27 april 2011 ongegrond verklaard.


1.2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 27 april 2011 ongegrond verklaard.


1.3. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 19 april 2012 heeft de minister bij besluit van 5 juni 2012 het besluit van 1 oktober 2010 ingetrokken en verzoekster ontslag verleend met ingang van 1 juli 2012 met toepassing van artikel 99, eerste lid, van het ARAR wegens een impasse in de arbeidsrelatie. Daarbij heeft de minister verzoekster met toepassing van artikel 99, tweede lid, van het ARAR een uitkering verleend die gelijk is aan het voor verzoekster geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. Voorts is verzoekster voor de duur van de uitkering ontheven van de verplichting om sollicitatie-inspanningen te doen, heeft de minister bij de salarisbetaling van maart 2012 een nabetaling van verzoeksters salaris over de periode na 1 oktober 2010 gedaan en is de pensioenopbouw bij het ABP hersteld.


1.4. In antwoord op het verzoek van de Raad hierop te reageren, heeft mr. G. Stoker namens verzoekster medegedeeld dat geen van de zaken wordt ingetrokken en dat het nieuwe ontslagbesluit van 5 juni 2012 in het geheel niet strookt met de daaromtrent tijdens de behandeling van het hoger beroep op 19 april 2012 met de Raad gemaakte afspraken ter zake. Bij faxbericht van 22 juni 2012 heeft de gemachtigde van verzoekster, [naam gemachtigde], - samengevat - medegedeeld dat de minister in strijd met de aanbevelingen van de Raad ter zitting van 19 april 2012 eenzijdig en zonder overleg heeft besloten om verzoekster met ingang van 1 juli 2012 ontslag te verlenen wegens een impasse in de arbeidsverhoudingen onder intrekking per gelijke datum van het ontslagbesluit van 1 oktober 2010. Daarbij is de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van het nieuwe ontslagbesluit van 5 juni 2012 wordt opgeschort totdat de door de Raad aanbevolen onderhandelingen zijn gevoerd.


1.5. Bij faxbericht van 25 juni 2012 heeft verzoekster de urgentie voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening benadrukt en daarbij erop gewezen dat haar echtgenoot en zijzelf zonder de gevraagde voorlopige voorziening enorme financiële problemen krijgen vanaf juli 2012 omdat zij, als hoofdverdiener, dan geen inkomen meer zou hebben en zij derhalve hun maandelijkse financiële verplichtingen niet meer zouden kunnen voldoen.


1.6. Bij brief van 5 juli 2012 heeft de Raad aan de gemachtigde van verzoekster verzocht schriftelijk uiteen te zetten om welke spoedeisende reden(en) hij een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Mr. G. Stoker heeft daarop namens [naam gemachtigde] geantwoord dat - samengevat - de feiten en omstandigheden thans niet anders zijn dan ter zitting van 19 april 2012 en dat het besluit van 5 juni 2012 impliceert dat alles van voor af aan moet worden opgestart. Hij heeft verzocht het verzoek om voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:83, derde en vierde lid, van de Awb toe te wijzen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de belangen van verzoekster thans net zo zwaarwegend zijn als uiteengezet in het verzoek om voorlopige voorziening van 14 oktober 2011, welk verzoek de Raad bij uitspraak van 19 december 2011 heeft toegewezen.


2. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.


2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, een genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende in een aanhangig hoger beroep mede betrokken zal worden, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen.


2.2. Het door verzoekster aangevoerde levert niet een spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Louter het volstrekt niet akkoord kunnen gaan met het genomen nieuwe besluit levert geen spoedeisend belang op. De nijpende financiële omstandigheden die zouden ontstaan wanneer de voorlopige voorziening niet wordt getroffen zijn onvoldoende concreet onderbouwd, waarbij de voorzieningenrechter het op voorhand niet aannemelijk acht dat sprake is van een financiële noodsituatie, gelet op de voorzieningen die de minister bij zijn ontslagbesluit van 5 juni 2012 aan verzoekster heeft toegekend. Vanwege deze voorzieningen acht de voorzieningenrechter de huidige feiten en omstandigheden ook niet gelijk aan die ten tijde van het door de voorzieningenrechter toegewezen verzoek om voorlopige voorziening van 14 oktober 2011.


3. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.


4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2012.


(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans


(getekend) P.W.J. Hospel



HD