Centrale Raad van Beroep, 05-09-2012 / 10/6843 WWB + 10/6844 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX6672

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. De in (de) verklaringen van geldlening vermelde bedragen komen niet overeen met de stortingen op de bankrekening van appellant. De herkomst van deze kasstortingen is onduidelijk gebleven. De rechtbank heeft (...) op goede gronden geoordeeld dat, nu appellanten onvoldoende inzicht hebben verschaft in de wijze waarop zij hebben voorzien in de kosten van hun levensonderhoud, niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-09-05
Publicatiedatum
2012-09-06
Zaaknummer
10/6843 WWB + 10/6844 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6843 WWB, 10/6844 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 oktober 2010, 10/1344 (aangevallen uitspraak)



Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)




Datum uitspraak: 5 september 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.A.J. Dappers, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 juni 2012. Partijen zijn, het college met bericht, niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellanten hebben op 24 september 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.


1.2. Bij besluit van 14 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2010 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten om bijstand afgewezen. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat in de periode van 28 mei 2009 tot 9 oktober 2009 op de bankrekening van appellant negen kasstortingen met een totaalbedrag van € 11.460,-- hebben plaatsgevonden. Appellanten hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens duidelijkheid kunnen verschaffen over de herkomst van die stortingen en over de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in de kosten van levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Gelet hierop hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij hebben in voldoende mate aangetoond dat zij, om in de kosten van hun levensonderhoud te voorzien, voorafgaand aan de bijstandsaanvraag hebben geleefd van geldleningen en dat zij die leningen moeten terugbetalen. Bovendien heeft het college bij besluit van 7 december 2010 de aanvraag van appellanten om bijstand van 9 november 2010 wel ingewilligd, terwijl zij in het kader van die aanvraag geen andere bescheiden hebben verstrekt dan in de onderhavige procedure.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Appellanten hebben ter onderbouwing van de stelling dat zij voorafgaand aan de onderhavige aanvraag geld hebben geleend, op 24 november 2009 drie ongedateerde schriftelijke verklaringen van [A.B.], [C.D.], en [E.F.] overgelegd, inhoudende dat zij appellant op 25 april 2009, 9 juni 2009 en 15 augustus 2009 bedragen van respectievelijk € 2.350,--, € 5.000,-- en € 5.000,-- hebben geleend. Met die verklaringen is niet aangetoond dat appellant daadwerkelijk de daarin vermelde bedragen heeft ontvangen voorafgaand aan de onderhavige bijstandsaanvraag. De in deze verklaringen van geldlening vermelde bedragen komen niet overeen met de stortingen op de bankrekening van appellant. De herkomst van deze kasstortingen is onduidelijk gebleven. De rechtbank heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat, nu appellanten onvoldoende inzicht hebben verschaft in de wijze waarop zij hebben voorzien in de kosten van hun levensonderhoud, niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.


4.2. De omstandigheid dat het college in het kader van de aanvraag van 9 november 2010 alsnog bijstand heeft verstrekt, kan appellanten niet baten, reeds omdat bij die aanvraag een andere beoordelingsperiode voorlag.


4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.J. Govaers en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.



(getekend) E.J.M. Heijs



(getekend) V.C. Hartkamp