Centrale Raad van Beroep, 04-09-2012 / 10-6608 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX7182

Inhoudsindicatie
Medeterugvordering bijstand bij een niet bijstand gerechtigde. De Raad is van oordeel dat het rapport van de sociale recherche een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat appellant en S. een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het feit dat S. ernstig ziek was en verzorging nodig had doet daar niet aan af. De omstandigheid dat een in het verleden uitgevoerd onderzoek niet heeft uitgewezen dat appellant en S. een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden, doet niets af aan de onderzoeksbevindingen van het in 2006 afgesloten onderzoek. Noch het rapport van de sociale recherche noch de besluitvorming door het college bieden feitelijke grondslag voor de stelling dat het college bij dit onderzoek en die besluitvorming vooringenomen was of dat de daarbij betrokken personen een persoonlijk belang hadden bij de uitkomst daarvan. In de omstandigheid dat appellant vanwege ernstige ziekte van S. met haar is gaan samenwonen, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het beleid van het college om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-09-04
Publicatiedatum
2012-09-13
Zaaknummer
10-6608 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6608 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2010, 09/1379 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)


Datum uitspraak 4 september 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van Voolen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Voolen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. [S.] ontving sinds 22 maart 1993 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het college de bijstand van [S.] beëindigd met ingang van 1 februari 2006 en tevens ingetrokken met ingang van 23 maart 1993. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat [S.] in de periode van 23 maart 1993 tot en met 1 februari 2006 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Zij heeft daar in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding van gemaakt aan het college, zodat haar ten onrechte bijstand is verstrekt. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.


1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college de kosten van ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 van [S.] teruggevorderd tot een bedrag van € 106.958,16. [S.] en appellant zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van deze kosten van bijstand.


1.4. Bij besluit van eveneens 14 augustus 2007 heeft het college de gemaakte kosten van ten onrechte over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 aan [S.] uitbetaalde bijstand tot een bedrag van € 106.958,16 mede van appellant teruggevorderd.


1.5. Bij besluit van 9 april 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2007 ongegrond verklaard.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de gedingstukken, in het bijzonder het rapport van de sociale recherche van 31 maart 2006, en het verhandelde ter zitting, een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat appellant en [S.] gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarbij heeft de rechtbank grote betekenis toegekend aan de verklaringen die appellant tijdens het verhoor op 21 en 22 februari 2006 bij de sociale recherche heeft afgelegd. Deze verklaringen houden in dat appellant vanaf begin 1992 bij [S.] is ingetrokken en dat zij vanaf dat moment hebben samengeleefd. De rechtbank heeft deze verklaringen geloofwaardig geacht en de stelling dat appellant op grond van zijn medische situatie niet in staat zou zijn geweest die verklaringen af te leggen verworpen. De stelling dat appellant door de sociale recherche onder onaanvaardbare druk is gezet en zijn verklaringen niet juist zijn opgenomen heeft de rechtbank eveneens verworpen. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 januari 1999, LJN AJ9482) overwogen dat zij in geval van herroeping van een eerder afgelegde verklaring in beginsel mag uitgaan van die eerste afgelegde verklaring. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van die regel zou moeten worden afgeweken. Appellants verklaringen worden volgens de rechtbank voorts ondersteund door de overige bevindingen uit het onderzoek. Uit de waarnemingen gedurende de observaties in de periode van 14 tot 28 november 2005 blijkt dat appellant en [S.] veel samen zijn. Het buurtonderzoek heeft uitgewezen dat appellant al zeker 10 jaar op het adres van [S.] verbleef en al zeker 10 jaar niet meer op het adres [adres 1] te [woonplaats]. De broer van appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat er geen persoonlijke eigendommen, kleding of administratie van appellant op het adres [adres 1] aanwezig waren en dat appellant ergens in [plaatsnaam] bij een Poolse vrouw woonde. Bij onderzoek in de woning van [S.] zijn kleding, administratie en medicijnen van appellant aangetroffen. De broer heeft later ontkend dat hij voormelde verklaring heeft afgelegd. De rechtbank heeft deze ontkenning niet geloofwaardig geacht. De gegevens over het waterverbruik op het adres van [S.] in de periode van 1 oktober 1996 tot en met 1 oktober 2005 laten zien dat dit verbruik bijna het tweevoudige is geweest van het gemiddelde verbruik van een eenpersoonshuishouden.


2.2. De ziekte van [S.] leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het onderzoek van de sociale recherche heeft aangetoond dat er sprake was van verzorging die verder ging dan normale mantelzorg. De stelling dat het college vooringenomen zou zijn heeft de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing daarvan verworpen. Tot slot achtte de rechtbank de duur van het onderzoek niet zodanig lang dat dit tot verlaging van het terug te vorderen bedrag zou moeten leiden.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd waarbij hij, evenals in bezwaar en beroep, heeft betoogd dat hij geen gezamenlijke huishouding met [S.] voert of heeft gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.


4.2. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [S.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding.


4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport van de sociale recherche een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat appellant en [S.] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Hij verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden voegt hij daaraan het volgende toe.


4.4. De rechtbank heeft appellants stelling dat [S.] een hoger waterverbruik dan gemiddeld had omdat zij zich bezighield met het verzamelen, wassen en het laten verzenden van kleding naar Polen, als niet afdoende verklaring voor het verhoogde waterverbruik afgewezen. Appellant betoogt dat die verwerping, gezien het onregelmatige patroon in het waterverbruik ongefundeerd is. Dit betoog slaagt niet.

Voor de conclusie dat appellant en [S.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd is de hoogte van het waterverbruik geen doorslaggevende factor. Het verhoogde waterverbruik dient veeleer te worden gezien als indicatie voor een gezamenlijk huishouding en dient als aanvullend bewijs ter ondersteuning van de verklaringen van appellant.


4.5. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat [S.] ernstig ziek was, in feite al vanaf het moment dat zij in Nederland woonde. Het college was daarvan op de hoogte en heeft daar nooit bij [S.] naar geïnformeerd. [S.] is in september 2007 overleden. Appellant heeft haar altijd verzorgd en ondersteund. Gelet op de ernst van de ziekte van [S.] en het langdurige stervensproces, ging die zorg verder dan normale ondersteuning en was hij veel bij haar. Van samenwoning was echter geen sprake. Ook dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad al herhaaldelijk heeft geoordeeld, (CRvB 30 maart 2010, LJN BM2578), blijven bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing. Voor de vraag of betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren is het dan ook niet van belang dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning niet zien als samenwonen, maar of uit hun dagelijkse activiteiten voortvloeit dat sprake is van wederzijdse zorg. De door appellant ingenomen stelling dat er in het geheel geen wederzijdse zorg was, maar slechts eenzijdige zorg van zijn kant voor [S.], slaagt niet. Uit de verklaringen van [S.], afgelegd bij de sociale recherche, blijkt voldoende dat ook sprake is geweest van zorg van haar voor appellant. Zij heeft immers verklaard dat zij de was voor appellant doet en dat zij elkaar verzorgen bij ziekte.


4.6. Appellant heeft daarnaast betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring van de broer van appellant, inhoudende dat de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring hem niets zegt en niet juist is. Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft de ten overstaan van haar afgelegde verklaring terecht buiten beschouwing gelaten. De op 21 februari 2006 door de broer afgelegde verklaring is afgelegd tegenover twee opsporingsambtenaren en vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 december 2010, LJN BP1072) mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.


4.7. Appellant heeft aangevoerd dat het college vooringenomen was, dan wel zich zou willen wreken op appellant. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft immers bij besluit van 2 mei 1994 al vastgesteld dat het college niet heeft kunnen aantonen of aannemelijk maken dat sprake is van samenwonen. Ook dit betoog slaagt niet. De omstandigheid dat een in het verleden uitgevoerd onderzoek niet heeft uitgewezen dat appellant en [S.] een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden, doet niets af aan de onderzoeksbevindingen van het op 31 maart 2006 afgesloten onderzoek. Zoals onder 4.3 al is overwogen, bieden deze onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Noch het rapport van de sociale recherche noch de besluitvorming door het college bieden feitelijke grondslag voor de stelling dat het college bij dit onderzoek en die besluitvorming vooringenomen was of dat de daarbij betrokken personen een persoonlijk belang hadden bij de uitkomst daarvan.


4.8. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het college appellant terecht heeft aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [S.] rekening had moeten worden gehouden. Tevens staat in rechte onaantastbaar vast dat [S.] van de gezamenlijke huishouding geen melding heeft gemaakt bij het college. Hieruit volgt dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het college bevoegd was de gemaakte kosten van de ten onrechte aan [S.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.


4.9. In de omstandigheid dat appellant vanwege ernstige ziekte van [S.] met haar is gaan samenwonen, ziet de Raad met de rechtbank geen dringende redenen als bedoeld in het beleid van het college om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.


(getekend) R.H.M. Roelofs


(getekend) R. Scheffer


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding



HD