Centrale Raad van Beroep, 10-10-2012 / 11-1383 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY0067

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op ziekengeld: niet meer ongeschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Zorgvuldig onderzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-10
Publicatiedatum
2012-10-15
Zaaknummer
11-1383 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1383 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 januari 2011, 10/3324 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 10 oktober 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A.M.J. Loeffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Loeffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.


OVERWEGINGEN

1. Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 17 april 2008, gehandhaafd bij besluit van 30 juli 2008, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 18 juni 2008 op de grond dat appellant met de aan hem voorgehouden functies een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Bij uitspraak van 26 mei 2009 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van appellant tegen het besluit van 30 juli 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.


2. Op 16 juni 2010 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv aan appellant ziekengeld toegekend met ingang van 16 juni 2010.


3. Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 28 juli 2010 geen recht (meer) heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde één of meer van de in het kader van de WAO geduide functies.


4. Bij besluit van 10 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juli 2010 ongegrond verklaard.


5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv voldoende gemotiveerd zijn en voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden en heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan deze rapporten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij op de datum in geding meer beperkt was dan ten tijde van de beoordeling in het kader van de WAO.


6. In hoger beroep heeft appellant er op gewezen dat het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 26 mei 2009 van de rechtbank 's-Hertogenbosch inzake de intrekking van zijn WAO-uitkering per 18 juni 2008 gevolgen kan hebben voor het onderhavige geschil. Appellant heeft betoogd dat hij per datum in geding, 28 juli 2010, meer beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan in het kader van de WAO-beoordeling.


7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


7.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.


7.2. Bij uitspraak van 25 mei 2011 (09/3284 WAO, LJN BQ5838) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei 2009 inzake de intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 juni 2008 bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de van belang zijnde medisch objectieve gegevens transparant, inzichtelijk en consistent zijn weergegeven en correct zijn vertaald in de beperkingen die zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zoals die op twee punten is bijgesteld op 19 augustus 2009, en dat de geduide functies terecht door het Uwv per 18 juni 2008 geschikt zijn geacht voor appellant. Met deze uitspraak is komen vast te staan dat het Uwv voor de onderhavige beoordeling in het kader van de ZW terecht is uitgegaan van de in het kader van de WAO geduide functies.


7.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en hebben op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen met ingang van 28 juli 2010 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.


7.4. De door appellant in hoger beroep overgelegde rapportages leiden niet tot een andersluidend oordeel. De Multidisciplinaire Expertise van 8 december 2009 van orthopaedisch chirurg J.H.J.P.M. Kortmann en neuroloog P.M.G.A.W. Mulkens alsmede de brief van 7 februari 2010 van register arbeidsdeskundige R. Ravesteijn hebben betrekking op de intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 juni 2008, waarmee de Raad zich - zoals is weergegeven in 7.2 - heeft verenigd. De brief van 31 maart 2010 van neuroloog A.E. Boon tenslotte heeft appellant reeds in het kader van een eerdere

ZW-procedure aan het Uwv overgelegd, en is door de verzekeringsarts bij de onderhavige beoordeling betrokken.


7.5. Gelet op hetgeen onder 7.2 tot en met 7.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012.



(getekend) B.M. van Dun



(getekend) K.E. Haan