Centrale Raad van Beroep, 01-11-2012 / 11/2976 BPW + 11/2977 BPW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2265

Inhoudsindicatie
Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-01
Publicatiedatum
2012-11-06
Zaaknummer
11/2976 BPW + 11/2977 BPW
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2976 BPW, 11/2977 BPW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak in de gedingen tussen


Partijen:


[A. te B.] (appellanten)


de voormalige Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)


Datum uitspraak: 1 november 2012


PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WBP van de PUR.


Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een tweetal besluiten van verweerder van 12 april 2011, kenmerk BZ01312552 en BZ013125544 (bestreden besluiten).


Verweerder heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Appellanten zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.


OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluiten van 27 december 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 in aanmerking te worden gebracht voor een pensioen en bijzondere voorzieningen. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat de aan de aanvraag ten grondslag gelegde spoorwegstaking en de daaropvolgende hongerwinter in 1944 in zijn algemeenheid niet kunnen worden aangemerkt als verzet in de zin van de BPW.


1.2. Tegen deze besluiten hebben appellanten bezwaar gemaakt bij schrijven van 22 maart 2011, welke brief blijkens de gedingstukken op 24 maart 2011 door verweerder is ontvangen.


1.3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. In dat verband heeft verweerder overwogen dat appellanten geen omstandigheden hebben aangevoerd die de termijnoverschrijding kunnen verontschuldigen.


2. De Raad overweegt als volgt.


2.1. Vaststaat dat appellanten de bezwaartermijn van zes weken als genoemd in artikel 6:7 van de Awb hebben overschreden.


2.2. In beroep hebben appellanten - evenals in bezwaar - aangegeven dat zij voor langere tijd in [S.] verbleven en dat de post werd verzorgd door een buurvouw en hun dochter. Zij zouden belangrijke post, afkomstig van onder andere verweerder, doorsturen naar het verblijfadres van appellanten in [S.]. De termijnoverschrijding is enerzijds ontstaan omdat deze belangenbehartigers onvoldoende alert waren en anderzijds omdat het besluit werd verzonden in een voor hun niet herkenbare of naar verweerder te herleiden envelop. Omdat in dezelfde envelop ook een brochure was gevoegd, is deze na opening als “reclame” aangemerkt, aldus appellanten.


2.3. De termijnen voor het maken van bezwaar en beroep zijn fatale termijnen. Dat betekent dat bij overschrijding daarvan een niet-ontvankelijkheid dient te worden uitgesproken, tenzij er een aanvaardbare reden is voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 Awb.


2.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb. Hiertoe wordt overwogen dat het doen of nalaten iets te doen door de persoon of personen aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd voor risico van die betrokkene dient te komen. Dat het besluit in een niet (direct) herkenbare envelop zou zijn verzonden, wat hier verder ook van zij, maakt het voorgaande niet anders.


2.5. Het voorgaande brengt mee dat de beroepen van appellanten ongegrond moeten worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2012.


(getekend) A. Beuker-Tilstra



(getekend) J.T.P. Pot