Centrale Raad van Beroep, 20-11-2012 / 10-5730 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3800

Inhoudsindicatie
Toekenning bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Met de restschuld van € 2.225,41 heeft het college bij de vaststelling van het vermogen geen rekening gehouden, omdat nog niet vaststond dat de desbetreffende schuld in zijn geheel moest worden terugbetaald, gelet op de door appellante afgesloten kredietbeschermingsverzekering. Naar het oordeel van de Raad had het college deze schuld bij de vermogensvaststelling moeten betrekken. Rekening houdend met de hoogte van de niet betwiste banksaldi van appellante van € 131,16 negatief, en € 1.396,87 en € 158,90 positief, de schuld aan haar vader van € 680,--, de waarde van de auto van € 6.200,-- en de schuld uit huurkoop van € 2.225,41, wordt tot de slotsom gekomen dat het vermogen van appellante op 15 juli 2009 aan het verlenen van bijstand met ingang die datum niet in de weg stond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-20
Publicatiedatum
2012-11-22
Zaaknummer
10-5730 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5730 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 september 2010, 09-6219 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)


Datum uitspraak: 20 november 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante heeft tot en met 21 mei 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 15 juli 2009 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.


1.2. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante kan beschikken over een vermogen, onder andere bestaande uit een auto van het merk Ford Fiesta 1.3 (auto) ter waarde van € 7.000,--, dat groter is dan het voor haar vrij te laten vermogen. Het college is daarbij uitgegaan van een vermogen van € 7.744,16 op de datum van de aanvraag en een vermogensgrens van € 5.455,--.


1.3. Bij besluit van 2 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de waarde van de auto bepaald op € 7.650,--. Voorts heeft het college, voor zover van belang, geen rekening gehouden met de schuld uit autofinanciering ten bedrage van € 2.225,41.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de waarde van de auto destijds € 4.659,-- bedroeg en dat de restschuld destijds uit autofinanciering van € 2.225,41 op haar vermogen in mindering moet worden gebracht.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Voorop wordt gesteld dat het college het recht op bijstand heeft beoordeeld van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009, de datum waarop appellante weer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan. De Raad sluit zich voor zijn beoordeling bij deze periode aan. Voorts is niet meer in geschil dat de auto tot het vermogen van appellante moet worden gerekend.


4.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.


De waarde van de auto


4.3. Ter zitting van de Raad heeft het college met betrekking tot de waarde van de auto zijn standpunt gewijzigd door uit te gaan van een bedrag van € 6.200,-- als genoemd in het door appelante overgelegde ANWB taxatierapport van 16 maart 2010. Appellante heeft voor de waarde van de auto gewezen op een eveneens door haar overgelegd taxatierapport van automobielbedrijf Dekker van 25 juli 2009 waarin een inkoopprijs staat vermeld van € 4.659,--. De Raad is van oordeel dat het college op goede gronden thans uitgaat van de waarde in het ANWB taxatierapport, mede gelet op de omstandigheid dat dit rapport gebaseerd is op specifieke, door appellante zelf verstrekte informatie over (onder meer het model van) de auto. Om dezelfde reden wordt voorbijgegaan aan de stelling van appelante dat in het ANWB taxatierapport ten onrechte van een duurder model is uitgegaan. De waarde uit het taxatierapport van Dekker wijkt zonder nadere toelichting te sterk af van de waarde uit het ANWB taxatierapport zodat daaraan geen betekenis wordt gehecht.


De schuld uit huurkoop


4.4. Appellante heeft de in mei 2005 door haar gekochte auto gefinancierd door middel van huurkoop tot een bedrag van € 12.138,60 waarop zij maandelijks € 202,31 dient af te lossen. Nagenoeg gelijktijdig heeft appellante bij Ford Credit een kredietbeschermingsverzekering voor de maandelijkse aflostermijnen afgesloten, onder meer in geval van onvrijwillige werkloosheid. In de financieringsovereenkomst is opgenomen dat appellante verklaart een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de voorwaarden te vervullen.


4.5. Met de restschuld ten tijde hier van belang van € 2.225,41 heeft het college bij de vaststelling van het vermogen geen rekening gehouden, omdat nog niet vaststond dat de desbetreffende schuld in zijn geheel moest worden terugbetaald, gelet op de door appellante afgesloten kredietbeschermingsverzekering.


4.6. Naar het oordeel van de Raad had het college deze schuld bij de vermogensvaststelling moeten betrekken. Appellante heeft ter zitting aangegeven dat zij een beroep heeft gedaan op de kredietbeschermingsverzekering, doch dat deze niet tot uitbetaling kwam omdat zij ten tijde van het afsluiten van de verzekering een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had. Deze gang van zaken wordt aannemelijk geacht, gelet op de omstandigheid dat appellante zowel tijdens de periode waarin zij een WW-uitkering ontving als tijdens de aanvraagprocedure voor de bijstand maandelijks bleef aflossen. Verder wordt van belang geacht dat de aard van het dienstverband kennelijk van belang was, gelet op de onder 4.4 genoemde voorwaarde uit de financieringsovereenkomst. Aan de stelling van het college dat appellante mogelijk later een vast dienstverband zal aangaan en bij opnieuw ontstane werkloosheid wel een beroep zal kunnen doen op de kredietbeschermingsverzekering wordt voorbijgegaan, reeds omdat dit te onbepaald en speculatief is. Overigens is appellante vanaf 24 augustus 2009 weer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan.


4.7. Rekening houdend met de hoogte van de niet betwiste banksaldi van appellante van € 131,16 negatief, en € 1.396,87 en € 158,90 positief, de schuld aan haar vader van € 680,--, de waarde van de auto van € 6.200,-- en de schuld uit huurkoop van € 2.225,41, wordt tot de slotsom gekomen dat het vermogen van appellante op 15 juli 2009 aan het verlenen van bijstand met ingang die datum niet in de weg stond.


4.8. De aanvraag is derhalve ten onrechte afgewezen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.


4.9. Er is voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Niet is gebleken dat appellante in de te beoordelen periode niet voldeed aan de overige vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Daaruit volgt dat appellante van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009 recht had op bijstand. De Raad zal daarom het besluit van 23 juli 2009 herroepen en bepalen dat door het college aan appellante over de periode van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande zal worden toegekend.


5. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Aangezien herroeping van het besluit van 23 juli 2009 geschiedt wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad het college tevens veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar tegen dit besluit heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 november 2009;

- herroept het besluit van 23 juli 2009;

- bepaalt dat aan appellante van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009 bijstand wordt toegekend

naar de norm voor een alleenstaande;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.070,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2012.


(getekend) A.B.J. van der Ham


(getekend) J. de Jong


HD