Centrale Raad van Beroep, 27-11-2012 / 11-1813 WWB + 11-1953 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Dubbel hoger beroep. Appellante beschikte over een vermogen bestaande uit de mede-eigendom voor een zesde gedeelte van de woning. De enkele omstandigheid dat de moeder van betrokkene na het overlijden van de vader van betrokkene in de woning is blijven wonen en, zoals betrokkene heeft gesteld, heeft geweigerd medewerking te verlenen aan scheiding en deling van de nalatenschap betekent niet dat betrokkene niet in de positie verkeerde om scheiding en deling van het gemeenschappelijke eigendom te verlangen. Schending inlichtingenverplichting. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de Beleidsregels terug- en invordering Wet werk en bijstand (2006) en vaste gedragslijn heeft kunnen komen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-27
Publicatiedatum
2012-11-28
Zaaknummer
11-1813 WWB + 11-1953 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

11/1813 WWB, 11/1953 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 februari 2011, 10/1861 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)


Datum uitspraak 27 november 2012.


PROCESVERLOOP


Namens betrokkene heeft mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Ook het college heeft hoger beroep ingesteld.


Het college en betrokkene hebben verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van Maaren.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene ontving sinds 9 juli 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. In het kader van het project ‘kadastersignalen’ heeft een bestandkoppeling plaatsgevonden tussen de bestanden van het kadaster en de uitkeringsbestanden van de gemeente Nijmegen. Daaruit is naar voren gekomen dat betrokkene is geregistreerd als mede-eigenaar voor een zesde gedeelte van een woning aan het [adres 1] te [gemeente 1] (woning), hetgeen bij het college niet bekend was. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 21 december 2009.


1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 december 2009 de bijstand van betrokkene met ingang van 9 juli 1999 in te trekken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene vanaf 9 juli 1999 geen recht heeft op bijstand omdat zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen bestaande uit de mede-eigendom voor een zesde gedeelte van de woning. Betrokkene heeft de inlichtingenverplichting geschonden door bij het college van dat vermogen geen melding te maken en als gevolg van die schending is haar ten onrechte bijstand verleend. Bij het besluit van 23 december 2009 heeft het college voorts een deel van de gemaakte kosten van de over de periode vanaf 9 juli 1999 verleende bijstand tot een bedrag van € 131.861,53 van betrokkene teruggevorderd.


1.4. Bij besluit van 20 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij overwogen dat aan betrokkene als gevolg van de intrekking ten onrechte bijstand is verleend tot een bedrag van € 158.629,77, maar dat het bedrag van de terugvordering met toepassing van de Beleidsregels terug- en invordering Wet werk en bijstand (2006) (beleidsregels) is beperkt tot € 131.861,53, zijnde het hoogste bedrag waarmee het vermogen van betrokkene in de periode van 9 juli 1999 tot en met 23 december 2009 de grens van het vrij te laten vermogen heeft overschreden. Bij de vaststelling van het hoogste bedrag van de vermogensoverschrijding is het college uitgegaan van de waarde van de woning op 1 januari 2008 ter hoogte van € 807.000,-.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en gegrond voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering en het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het college bij de terugvordering ten onrechte is uitgegaan van de waarde van de woning op 1 januari 2008. Volgens de rechtbank dient te worden uitgegaan van de waarde van de woning bij aanvang van de bijstand op 9 juli 1999. Vervolgens had het college moeten berekenen, rekening houdend met de kosten van aflossing en rente voor een te vestigen hypotheek, over welk bedrag betrokkene redelijkerwijs vanaf 9 juli 1999 had kunnen beschikken en hoe lang betrokkene daardoor, afhankelijk van de toepasselijke norm en de aanspraak op vakantietoeslag, boven de desbetreffende bijstandsnorm zou uitkomen.


3. Betrokkene en het college hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


het hoger beroep van betrokkene


4.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over haar aandeel in de woning, omdat haar moeder in die woning woont. De woning behoort tot de onverdeelde nalatenschap van haar in 1995 overleden vader en haar moeder, die voor vier zesde deel eigenaar van de woning is, heeft geweigerd medewerking te verlenen aan scheiding en deling van de nalatenschap. Betrokkene heeft banken benaderd met het verzoek om een lening onder verband van een hypotheek op de woning, maar die banken hebben dat verzoek afgewezen.


4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 9 juli 1999 tot en met 23 december 2009, voor een zesde deel eigenaar was van de woning. Het gegeven dat een persoon een aandeel heeft in de eigendom van een onroerende zaak rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit aandeel een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betreffende persoon om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Betrokkene is daarin niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat de moeder van betrokkene na het overlijden van de vader van betrokkene in de woning is blijven wonen en, zoals betrokkene heeft gesteld, heeft geweigerd medewerking te verlenen aan scheiding en deling van de nalatenschap betekent niet dat betrokkene niet in de positie verkeerde om scheiding en deling van het gemeenschappelijke eigendom te verlangen. Voorts betekent de door betrokkene gestelde omstandigheid dat banken haar geen hypothecaire lening willen verstrekken, niet dat zij niet op andere wijze, bijvoorbeeld door scheiding en deling van het gemeenschappelijk eigendom te verlangen, haar aandeel in de eigendom van de woning te gelde kon maken. De onder 4.1 weergegeven beroepsgrond treft dan ook geen doel.


4.3. Betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet opzettelijk heeft verzwegen dat zij mede-eigenaar van de woning was. Voor zover betrokkene daarmee heeft willen betogen dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, volgt de Raad dit betoog niet. Ook indien betrokkene niet de opzet heeft gehad de mede-eigendom van de woning voor het college te verzwijgen, kan van schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn. Het gaat er om of het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de mede-eigendom van de woning van invloed kon zijn voor haar recht op bijstand.

4.4. Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep van betrokkene niet.


het hoger beroep van het college


4.5. Het college heeft aangevoerd dat het bij de terugvordering toepassing heeft gegeven aan de beleidsregels en bij de bepaling van de vermogensoverschrijding terecht is uitgegaan van de waarde van de woning op 1 januari 2008. Dat de waarde van de woning bij aanvang van de bijstand van betrokkene aanzienlijk lager was doet volgens het college niet ter zake.


4.6. Betrokkene heeft zich in haar verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423, en 28 april 2009, LJN BI3538, op het standpunt gesteld dat indien sprake is van verzwegen vermogen een theoretische berekening moet worden gemaakt om het bedrag van de terugvordering te kunnen bepalen en dat daarbij, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dient te worden uitgegaan van de waarde van het vermogen bij de aanvang van de bijstand.


4.7. Ingevolge de beleidsregels matigt het college bij het aanwezig zijn van in aanmerking te nemen, verzwegen vermogensbestanddelen de terugvordering tot het bedrag waarmee de waarde van het vermogensbestanddeel het vrij te laten vermogen overtreft. Daarbij wordt het vrij te laten vermogen aangehouden zoals dat gold op het moment van het verkrijgen van het in aanmerking te nemen vermogensbestanddeel. Het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het daarnaast de vaste gedragslijn volgt dat, indien de waarde van het betreffende vermogensbestanddeel gedurende de periode waarover teruggevorderd wordt, wijzigingen heeft ondergaan, voor de berekening van het bedrag waarmee de waarde van het vermogensbestanddeel het vrij te laten vermogen overtreft, wordt uitgegaan van de hoogste waarde van dat vermogensbestanddeel in de betreffende periode.


4.8. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom het college bij de bepaling van het bedrag van de terugvordering ten onrechte is uitgegaan van de waarde van de woning op 1 januari 2008 en dat dient te worden uitgegaan van de waarde van de woning bij de aanvang van de bijstand op 9 juli 1999. Dat dient te worden uitgegaan van de waarde van het vermogen op

9 juli 1999, volgt niet uit de uitspraken van de Raad, waarnaar betrokkene heeft verwezen. Deze uitspraken hebben onder meer betrekking op een situatie als de onderhavige, waarin wordt teruggevorderd bij vermogen boven de vrijlatingsgrens en sprake is van inlichtingenverzuim. Uit de uitspraken kan worden afgeleid dat, in het geval degene van wie wordt teruggevorderd aannemelijk maakt dat over de periode van de terugvordering of een gedeelte daarvan wel bijstand zou zijn verleend indien de door hem bij het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde gegevens juist en volledig waren geweest, daarmee bij het uitoefenen van de terugvorderingsbevoegdheid rekening moet worden gehouden. Uit die uitspraken kan niet worden afgeleid dat bij de beoordeling of bijstand zou zijn verleend geen rekening mag worden gehouden met het feit dat het vermogen gedurende de periode waarop de terugvordering ziet, is toegenomen en dat slechts rekening mag worden gehouden met de omvang van het vermogen aan het begin van de terugvorderingsperiode. Gelet op het voorgaande, is in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de in overweging 4.7 genoemde beleidsregel en vaste gedragslijn heeft kunnen komen.


4.9. Gelet op wat onder 4.5 tot en met 4.8 is overwogen slaagt het hoger beroep van het college.


conclusie


4.10. Wat onder 4.4 en 4.9 is overwogen, betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat het college heeft gehandeld in overeenstemming met de in overweging 4.7 genoemde beleidsregel en vaste gedragslijn en betrokkene evenmin heeft gesteld dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college daarvan had moeten afwijken, zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2012.


(getekend) J.J.A. Kooijman


(getekend) P.J.M. Crombach



HD