Centrale Raad van Beroep, 13-11-2012 / 11/810 WWB + 11/4692 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY5597

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de verrekening en de terugvordering. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat de herziening van de bijstand niet door appellant is aangevochten. Zowel het bezwaar van appellant als zijn beroep tegen het bestreden besluit hebben geen betrekking op de herziening van de bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de terugvordering niet juist is. Het college kon ingevolge deze richtlijn direct na het nemen van het terugvorderingsbesluit tot invordering door middel van verrekening overgaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-13
Publicatiedatum
2012-12-10
Zaaknummer
11/810 WWB + 11/4692 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/810 WWB, 11/4692 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 10/1303 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B. ] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)


Datum uitspraak: 13 november 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [T.] hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een nader besluit van 13 juli 2011 aan de Raad gezonden, waarop door appellant bij brief van 29 augustus 2011 is gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 11/811 WWB,11/812 WWB en 11/813 WWB plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Voor appellant is [T.] verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft, met onderbrekingen wegens detentie, met ingang van 29 januari 2009 bijstand ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft als zijn adres opgegeven [adres 1]. Uit een onderzoek is volgens het college gebleken dat appellant in de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 maart 2010 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [D.], die van het college bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontving en op het adres [adres 2] woonachtig was.


1.2. Bij besluit van 29 maart 2010 heeft het college de over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 januari 2010 aan appellant verleende bijstand naar de norm voor een alleenstaande herzien naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft het college € 400,46 netto en € 1.003,24 bruto, totaal een bedrag van € 1.403,70, van appellant teruggevorderd. Voorts heeft het college onder meer bepaald dat met ingang van april 2010 maandelijks een bedrag van

€ 15,71 direct met de lopende uitkering zal worden verrekend.


1.3. Bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant en [D.] samen een kind hebben, dat zij in de onder 1.2 genoemde periode hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van [D.], dat er daarom sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid en onder b, van de WWB, zodat appellant met ingang van 26 maart 2009 in aanmerking komt voor bijstand naar de norm voor gehuwden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de verrekening en de terugvordering. De rechtbank heeft het beroep, met bepalingen inzake griffierechten en proceskosten, ongegrond verklaard voor zover het de verrekening ingevolge de gemeentelijke Richtlijn B124 betreft, en heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het de terugvordering betreft. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de terugvordering onvoldoende is gemotiveerd en heeft het college opgedragen ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen.


3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


3.1.Het college heeft in de aangevallen uitspraak berust en ter uitvoering daarvan op 13 juli 2011 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Daarbij is het teruggevorderde bedrag gespecificeerd en nader vastgesteld op € 1.445,74. Vanwege het verbod op reformatio in peius in de bezwaarprocedure, heeft het college het terug te vorderen bedrag van € 1.403,70 gehandhaafd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat de herziening van de bijstand over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 januari 2010 niet door appellant is aangevochten. De rechtbank heeft zich bij zijn oordeelsvorming dan ook ten onrechte beperkt tot de verrekening en terugvordering, aldus appellant. Met betrekking tot de verrekening heeft appellant zich erop beroepen dat het college toepassing had moeten geven aan de gemeentelijke richtlijn B125. Volgens appellant hebben het college en de rechtbank zich ten onrechte beperkt tot een beoordeling van de gemeentelijke richtlijn B124.


4.2. De grond dat de rechtbank ten onrechte het geschil heeft beperkt tot de terugvordering en de verrekening, slaagt niet. Zowel het bezwaar van appellant als zijn beroep tegen het bestreden besluit hebben geen betrekking op de herziening van de bijstand. Er is in het bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 29 maart 2010, verwezen naar rechtsmiddelen die zijn aangewend tegen de beëindiging van de uitkering. Gelet op het daarbij genoemde kenmerk 58509/421608, heeft die verwijzing betrekking op de hier niet aan de orde zijnde intrekking van de bijstand met ingang van 25 januari 2010. Ook de in het beroepschrift aangevoerde gronden hebben uitsluitend betrekking op de terugvordering en de verrekening. Weliswaar is gesteld dat de gronden van het bezwaar en beroep inzake de beëindiging van de uitkering worden ingelast, maar de daarbij genoemde kenmerken, BB000131BZ en BBB000131BR, hebben betrekking op de genoemde intrekking met ingang van 25 januari 2010. Ten slotte blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 10 november 2010 dat appellant expliciet heeft verklaard dat het beroep in de onderhavige zaak beperkt is tot de terugvordering over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 januari 2010 en de verrekening van deze bedragen met de nog door eiser te ontvangen bedragen aan bijstand en aanspraken op vakantiegeld.


4.3. Met betrekking tot de verrekening heeft appellant een beroep gedaan op de gemeentelijke richtlijn B125. Deze richtlijn ziet echter op de situatie dat een betrokkene geen bijstand meer ontvangt. Die situatie doet zich hier niet voor, zodat richtlijn B125 hier toepassing mist. De rechtbank heeft zich wat de verrekening betreft dan ook terecht beperkt tot de gemeentelijke richtlijn B124. Nu de schuld van appellant verrekend kon worden met zijn lopende bijstandsuitkering en aanspraak op vakantietoeslag, kon het college ingevolge deze richtlijn direct na het nemen van het terugvorderingsbesluit tot invordering door middel van verrekening overgaan.


4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


4.5. Het bestreden besluit 2 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in hoger beroep mede in de beoordeling betrokken.


4.6. De gronden van appellant tegen dit besluit hebben betrekking op de samenwoning en de herziening van de bijstand en de terugvordering van loonheffingskorting, dan wel de brutering daarvan.


4.7. Uit hetgeen onder 4.2. is overwogen volgt dat de herziening over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 januari 2010 thans niet meer aan de orde kan komen. De gronden die betrekking hebben op de loonheffingskorting heeft appellant niet nader gemotiveerd. Gelet op het bepaalde in artikel 58, vierde lid, van de WWB valt niet in te zien waarom het college de loonheffingskorting over het jaar 2009 niet bij de berekening van de terugvordering over dat jaar heeft kunnen betrekken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de terugvordering niet juist is.


4.8. Het college heeft bij het bestreden besluit 2 op juiste wijze uitvoering gegeven aan de onder 2 genoemde uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat het beroep tegen dat besluit ongegrond moet worden verklaard.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2011 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C.H. Bangma en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.


(getekend) R.H.M. Roelofs



(getekend) M.R. Schuurman