Centrale Raad van Beroep, 30-11-2012 / 11-4764 WSF-PV


ECLI:NL:CRVB:2012:BY6034

Inhoudsindicatie
Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Afwijzing verzoek om het inkomen van appellantes vader bij de vaststelling van de door haar aangevraagde aanvullende beurs buiten beschouwing te laten. Appellante heeft zich niet tot de burgerlijke rechter gewend om de op haar vader berustende onderhoudsverplichting te laten vaststellen. Niet gebleken van gegronde redenen waarom appellante dit niet kan worden tegengeworpen. Geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het vragen van alimentatie door appellante niet gevergd kon worden. Niet gebleken van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden op grond waarvan de hardheidsclausule toegepast diende te worden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-30
Publicatiedatum
2012-12-13
Zaaknummer
11-4764 WSF-PV
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/4764 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2011, 10/1734 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B. ] (appellante)


de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)


Datum uitspraak: 30 november 2012


Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen

Griffier: R.L. Rijnen


Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. J.W. Koekebakker, advocaat, en drs. P.M.S. Slagter als vertegenwoordiger van de Minister.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:


1.1. Bij besluit van 19 april 2010 heeft de minister appellantes verzoek afgewezen om - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) - het inkomen van haar vader bij de vaststelling van de door haar aangevraagde aanvullende beurs buiten beschouwing te laten.


1.2. De Minister heeft het door appellante tegen evengenoemd besluit gemaakte bezwaar bij (bestreden) besluit van 22 september 2010 ongegrond verklaard. De Minister heeft daarin erkend dat appellante voldoet aan één van de in artikel 6 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) neergelegde vereisten voor toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000. Vervolgens is de vraag of appellante behoeftig is, in welk verband de Minister heeft gewezen op artikel 12 van het Bsf 2000. Ter bepaling daarvan is relevant de hoogte van de op de ouder rustende alimentatieverplichting. Nu appellante geen alimentatievonnis dan wel een notariële akte heeft overgelegd waaruit de hoogte van de alimentatie blijkt, heeft de Minister aangenomen dat appellante niet behoeftig is en heeft hij derhalve het inkomen van haar vader niet buiten beschouwing gelaten.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad kon de Minister naar het oordeel van de rechtbank besluiten dat de door appellante aangevraagde aanvullende beurs afhankelijk blijft van het inkomen van haar vader, omdat zij geen stappen heeft ondernomen om een alimentatievonnis te verkrijgen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden dat de Minister met toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000 gehouden was de aanvullende beurs zonder alimentatievonnis vast te stellen.


3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Minister op goede gronden heeft afgezien van toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000. De Raad onderschrijft de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven onder 2. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.


4.2. In zijn uitspraak van 21 augustus 2009, LJN BJ6427 heeft de Raad uiteengezet dat uit de systematiek van de wettelijke regeling, met name artikel 12, tweede lid, van het Bsf 2000 en de toelichting op het Bsf 2000, volgt dat het op de weg ligt van een studerende van 18 jaar of ouder die verzoekt om zijn aanvullende beurs onafhankelijk van het inkomen van zijn vader vast te stellen, om zich tot de burgerlijke rechter te wenden om de op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek op de ouder berustende onderhoudsverplichting te laten vaststellen. Appellante heeft niet betwist dat zij zich niet met een daartoe strekkend verzoek tot de burgerlijke rechter heeft gewend. Niet is gebleken van gegronde redenen waarom appellante dit niet kan worden tegengeworpen. In dit verband wordt gewezen op de brieven van de Minister van 3 augustus, 1 september en 8 september 2010 waarbij appellante is verzocht om gegevens te overleggen op grond waarvan blijkt dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het vragen van alimentatie door appellante niet gevergd kon worden. Op deze brieven heeft appellante niet met overlegging van de gevraagde gegevens gereageerd. In appellantes geval is dan ook niet gebleken van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden dat de Minister met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule de aanvullende beurs zonder alimentatievonnis of notariële akte had moeten vaststellen.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Waarvan proces-verbaal.


De griffier De voorzitter




(getekend) R.L. Rijnen (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen