Centrale Raad van Beroep, 30-05-2013 / 11/5636 AW + 12/1387 AW


ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835

Inhoudsindicatie
Ontslag. Er was sprake van zodanige onverenigbaarheid van karakters, dat een ontslag op andere gronden gerechtvaardigd was. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant en de leidinggevende zich geruime tijd tegemoetkomend jegens betrokkene hebben opgesteld en de nodige inspanningen hebben verricht om tot herstel van de verhoudingen te komen. Daar tegenover heeft betrokkene zich steeds scherper opgesteld tegenover de leidinggevende, culminerend in het gesprek van 10 september 2008 waarin betrokkene feitelijk het vertrouwen in de leidinggevende opzegde; een stellingname waarvan betrokkene ook niet meer is teruggekomen. Van een overwegend aandeel van appellant is geen sprake geweest. De Raad ziet ook geen andere omstandigheden die meebrengen dat toekenning van een zogenoemde “plus” redelijk is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2013-05-30
Publicatiedatum
2013-06-04
Zaaknummer
11/5636 AW + 12/1387 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

11/5636 AW + 12/1387 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 augustus 2011, 10/868 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)


[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)


PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 20 februari 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene en haar gemachtigde mr. R.C.M. Klatten hebben hierop schriftelijk gereageerd.


Kort voor de zitting heeft betrokkene nog een nader stuk ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zwagerman en J.N. van Koesveld. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Klatten.


OVERWEGINGEN


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.


1.1. Betrokkene was sinds 2001 werkzaam bij het Gemeentelijk Grondbedrijf, thans Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA) in de functie van [functie A] (latere functiebenaming: [functie B.]). Vanaf 2001 is zij veelvuldig, voor kortere of langere tijd, geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest wegens depressiviteit en rug-, nek- en schouderklachten.


1.2. Nadat betrokkene begin juni 2007 opnieuw met psychische klachten is uitgevallen, wordt door de bedrijfsarts een Plan van aanpak WIA opgesteld, waarmee partijen hebben ingestemd. Het plan is gericht op werkhervatting in de eigen functie en vermeldt over het probleemveld “arbeidsverhoudingen” dat betrokkene onvoldoende steun ervaart van haar leidinggevende K. Volgens het plan is afgesproken dat betrokkene haar werk met met ingang van 17 juli 2007 deels zal hervatten en dat de voortgang van de re-integratie tweewekelijks zal worden besproken tussen betrokkene en K, in aanwezigheid van een coach/psycholoog. Op

28 augustus 2007 is betrokkene volledig hersteld gemeld.


1.3. In oktober 2007 is een coachingstraject overeengekomen om betrokkene bewust te laten worden van haar houding en de invloed die daarvan uitgaat. Mede in verband met het belang van continuïteit is betrokkene niet bij een project ingezet. Betrokkene heeft ingestemd met het voorstel om haar een ontwikkelingsassessment te laten doen, waaruit zou moeten blijken wat haar sterke kanten zijn, met het oog op het zoeken naar een andere functie. De adviseur die het intakegesprek voor het ontwikkelingsassessment met betrokkene heeft gevoerd, heeft op 19 december 2007 aan K geadviseerd eerst het coachingstraject af te ronden alvorens een loopbaantraject bij hem te starten.


1.4. Op 15 januari 2008 heeft betrokkene tijdens een gesprek met K en de medewerkster Personeel & Organisatie B aangegeven dat zij twijfels had over een assessment, dat zij B, als adviseur van de werkgever, wantrouwde en dat zij twijfels had over de leidinggevende capaciteiten van K, die zij haar grootste stressfactor noemde. Zij gaf aan het gevoel te hebben dat zij overbodig was en alleen maar de rotklussen kreeg. Enige dagen daarna is zij ziekgemeld.


1.5. Tijdens een gesprek op 12 maart 2008 hebben K en betrokkene afgesproken dat betrokkene haar werk gedeeltelijk zal hervatten en dat ze samen uit de problemen in de werkrelatie proberen te komen. In een e-mailbericht van 9 mei 2008 heeft betrokkene ten behoeve van de driegesprekken die zouden plaatsvinden met K en haar coach een aantal door haar als stressvol ervaren situaties beschreven. De driegesprekken zijn mede in verband met herhaalde ziekteuitval van betrokkene niet afgerond.


1.6. Tijdens een gesprek op 10 september 2008 heeft K aan betrokkene laten weten dat er geen verbetering in de samenwerking is, ondanks alle inspanningen. Betrokkene heeft aangegeven het management, waaronder K, onprofessioneel en demotiverend te vinden en een leidinggevende te wensen die meer afstand neemt.


1.7. Bij brief van 9 oktober 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat haar bejegening van K naar aanleiding van een uitnodiging voor een gesprek over mediation dusdanig respectloos was dat het zich gedwongen ziet om maatregelen te treffen. Daarbij is betrokkene uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek over deze als plichtsverzuim aangemerkte bejegening. Mediation acht appellant, gezien de reactie van betrokkene, niet meer zinvol. Betrokkene heeft zich op 13 oktober 2008 ziek gemeld; het verantwoordingsgesprek heeft niet meer plaatsgevonden en betrokkene heeft sindsdien niet meer gewerkt bij de gemeente.


1.8. In de Probleemanalyse WIA van 21 november 2008 heeft de bedrijfsarts als redenen van verzuim genoemd: “arbeidsconflict”, “ziekte” en “intra-persoonlijk”. Verwacht wordt dat betrokkene op termijn terug kan keren in arbeid. Tijdens een gesprek over deze probleemanalyse op 13 mei 2009 is betrokkene meegedeeld dat het OGA geen mogelijkheid ziet haar te laten re-integreren binnen het bedrijf. Het voornemen is haar te ontslaan wegens onverenigbaarheid van karakters, nu tussen betrokkene en haar leidinggevende K in de loop van de tijd een situatie is ontstaan die niet meer werkbaar en houdbaar is. Er is wel bereidheid haar te ondersteunen bij re-integratie buiten het bedrijf.


1.9. Nadat bij brief van 26 mei 2009 het voornemen daartoe kenbaar was gemaakt, waarop betrokkene bij brief van 15 juni 2009 haar zienswijze heeft gegeven, heeft appellant bij besluit van 8 juli 2009 betrokkene op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) ontslag op andere gronden verleend wegens onverenigbaarheid van karakters. Met het oog op een re-integratieperiode van vier maanden wordt de datum van beëindiging van het dienstverband op 15 november 2009, nadien gewijzigd in 1 januari 2010, gesteld.


2. Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het ontslag gehandhaafd met dien verstande dat aan betrokkene een ontslaguitkering is gegarandeerd met ingang van 1 januari 2010.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen dat betrokkene, nadat zij op 28 augustus 2007 hersteld is gemeld, door K niet in staat is gesteld haar eigen werkzaamheden te hervatten. Daaruit leidt de rechtbank af dat betrokkene door K in feite onbekwaam of ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar functie. Daarom lag het op de weg van appellant om te onderzoeken of een mogelijke onbekwaamheid of ongeschiktheid op een ziekte of gebrek is terug te voeren. Nu appellant dit heeft nagelaten, heeft appellant (nog) niet tot ontslag op andere gronden kunnen besluiten.


4. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat er geen sprake was van ongeschiktheid of onbekwaamheid van betrokkene voor haar functie. Er was wel sprake van een samenwerkingsproblematiek en vervolgens, vanwege de opstelling van betrokkene, van een verstoorde relatie met de leidinggevende. Er was geen aanleiding om onderzoek te doen naar mogelijke medische oorzaken van disfunctioneren. Het ontslag wegens onverenigbaarheid van karakters was dus gerechtvaardigd, aldus appellant.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1. Anders dan de rechtbank leidt de Raad uit de gedingstukken niet af dat appellant betrokkene feitelijk ongeschikt of onbekwaam heeft geacht voor haar functie. Wel waren er bepaalde aspecten in het functioneren, zoals de inzetbaarheid en de samenwerking, die verbetering behoefden. Met het oog daarop is in overleg tussen partijen gestart met coaching en met driegesprekken om tot verbetering van de verhoudingen te komen. Doel is daarbij steeds geweest, dat betrokkene het werk in de eigen functie zou hervatten. Pas omstreeks september 2008 is hierin verandering gekomen, toen de leidinggevende K aangaf geen verbetering te zien en betrokkene aangaf K een onprofessionele en demotiverende leidinggevende te vinden en een andere leidinggevende te wensen. In deze situatie, die in de visie van appellant duidde op onverenigbaarheid van karakters, heeft appellant aanleiding gezien, niet langer te streven naar interne re-integratie, maar in te zetten op een ontslag op andere gronden.


5.2. Met appellant, en wederom anders dan de rechtbank, wordt geoordeeld dat appellant niet gehouden was eerst te onderzoeken of een mogelijke onbekwaamheid of ongeschiktheid op een ziekte of gebrek was terug te voeren. Nog afgezien van het feit dat, zoals hiervoor overwogen, appellant betrokkene niet onbekwaam of ongeschikt heeft geacht, blijkt uit de gedingstukken dat de bedrijfsarts meermalen heeft geconcludeerd dat betrokkene het werk in haar eigen functie zou kunnen hervatten, terwijl betrokkene ook zelf nog eind 2009 heeft aangegeven dat zij haar eigen werk volledig kon verrichten.


5.3. De Raad voegt hier nog aan toe dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 januari 2008,

LJN BC1746, TAR 2008, 84) een ontslag op andere gronden geen ultimum remedium is, dat slechts in aanmerking kan komen als andere ontslaggronden uitgesloten zijn. Bij samenloop van ontslaggronden heeft het bestuursorgaan keuzevrijheid. Wel moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende worden onderbouwd.


5.4. Daarmee staat de Raad voor de vraag, of er medio 2009 voldoende grondslag aanwezig was voor een ontslag op andere gronden. Geoordeeld wordt dat inderdaad op dat moment sprake was van zodanige onverenigbaarheid van karakters, dat een ontslag op andere gronden gerechtvaardigd was. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant en de leidinggevende K zich geruime tijd tegemoetkomend jegens betrokkene hebben opgesteld en de nodige inspanningen hebben verricht om tot herstel van de verhoudingen te komen. Daar tegenover heeft betrokkene zich steeds scherper opgesteld tegenover K, culminerend in het gesprek van 10 september 2008 waarin betrokkene feitelijk het vertrouwen in K opzegde; een stellingname waarvan betrokkene ook niet meer is teruggekomen. Opgemerkt wordt dat betrokkene ook niet heeft ontkend dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen, maar slechts heeft gesteld dat deze in overwegende mate aan appellant te wijten waren; zij zou daarom aanspraak hebben op een zogenoemde “plus” op haar uitkeringsregeling. Over die aanspraak wordt het volgende overwogen.


5.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 9 december 2010, LJN BO8173 en

TAR 2011, 93) is een uitkeringsregeling op minimumniveau alleen dan onvoldoende, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht. Uit het in 5.4 overwogene volgt, dat van een overwegend aandeel van appellant geen sprake is geweest; de Raad ziet ook geen andere omstandigheden die meebrengen dat toekenning van een zogenoemde “plus” redelijk is.


6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond moet worden verklaard. De grondslag is dus ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 20 februari 2012, zodat dit besluit moet worden vernietigd.


7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2010 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 20 februari 2012.


Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.


(getekend) K.J. Kraan


(getekend) P.J.M. Crombach


HD