Centrale Raad van Beroep, 05-06-2014 / 11-7376 MPW


ECLI:NL:CRVB:2014:1908

Inhoudsindicatie
Oorspronkelijke aanvraag vergoeding financiele tegemoetkoming matras op basis van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers terecht buiten behandeling gesteld (artikel 4:5 Awb). Onvoldoende medische gegevens voorhanden om een door de minister verantwoorde beslissing te nemen. In hoger beroep alsnog financiele tegemoetkoming op basis van nadere gegevens. Het 6:18-besluit wordt in hoger beroep bij het geding betrokken. Vergoeding van € 2.330 voldoende geacht. Vergoeding van bezwaarkosten ten onrechte geweigerd. Raad neemt die kosten mee in de proceskostenveroordeling. Redelijke termijn zowel in bestuurlijke als rechterlijke fase overschreden; leidt tot heropening in verband met uitspraak over schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-05
Publicatiedatum
2014-06-10
Zaaknummer
11-7376 MPW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/7376 MPW, 13/523 MPW, 14/2840 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ’s‑Gravenhage van 9 november 2011, 10/6268 (aangevallen uitspraak 1) en van 13 december 2012, 12/3963 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken is in deze zaak de Minister van Defensie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.

Namens appellante heeft mr. J. van Overdam hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 en heeft A.M. van der Klugt hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

Op 24 september 2013 heeft de minister een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Van Overdam en A.M. van der Klugt. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.H. Souren.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1983, was vanaf 2002 werkzaam als militair bij de Koninklijke Marine. In 2003 heeft zij rugklachten gekregen. Voor de aandoening van de wervelkolom alsmede rug en beenklachten is dienstverband aanvaard. Met ingang van 1 juli 2009 is de aanstelling beëindigd.


1.2. Omstreeks april 2009 heeft de case manager van appellante voor haar een aanvraag ingediend om een aangepast matras. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 23 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft de minister, voor zover hier van belang, het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.


1.3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Zij overwoog - kort samengevat - dat appellante niet bereid is geweest om de gevraagde actuele medische gegevens over te leggen en dat de in beroep alsnog overgelegde stukken te laat zijn ingebracht om nog bij de beoordeling te kunnen worden betrokken.


1.4. Bij besluit van 24 november 2011 heeft de minister vergoeding van de kosten van een aangepast matras geweigerd op de grond dat voor de beperkingen die voortvloeien uit de aandoening met dienstverband een aangepast matras niet medisch noodzakelijk is. Bij besluit van 16 april 2012 (bestreden besluit 2) heeft de minister het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.


1.5. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog kort samengevat dat de minister het negatieve advies van zijn verzekeringsarts heeft mogen volgen.


2.

In hoger beroep heeft appellante nadere medische gegevens overgelegd. Deze hebben de minister aanleiding gegeven om het nieuwe besluit van 24 september 2013 te nemen. Daarbij is het bezwaar tegen het bestreden besluit 2 alsnog gegrond verklaard. Aan appellante is een financiële tegemoetkoming in de aanschafkosten van een matras toegekend tot een maximum van € 2.330,. Een vergoeding van de kosten van het bezwaar is geweigerd.


3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Buiten behandeling stellen van de aanvraag


3.1.

Ter zitting is gebleken dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 beperkt is tot de vraag of het oorspronkelijke verzoek om vergoeding van een aangepast matras op goede gronden buiten behandeling is gesteld. Evenals de rechtbank, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. De minister heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen over onvoldoende actuele specialistische medische informatie te beschikken om op de aanvraag een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. De wel beschikbare verklaring van de marinearts F.D.J.R. Feunekes dateerde reeds uit mei 2008 en behelsde niet de gedetailleerde medische gegevens waaraan de minister behoefte had. Op grond van de uitlatingen van appellante mocht de minister ervan uitgaan dat zij niet bereid was om medewerking te verlenen aan het alsnog beschikbaar komen daarvan. Onder deze omstandigheden heeft de minister in redelijkheid toepassing kunnen geven aan de uit artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. De pas in beroep en hoger beroep overgelegde medische gegevens maken dit niet anders.


3.2.

Het hoger beroep treft geen doel.


Weigering vergoeding matras


3.3.

Bestreden besluit 2, waarbij het bezwaar tegen het alsnog inhoudelijk afwijzen van de aanvraag ongegrond is verklaard, wordt door de minister niet gehandhaafd. Dit besluit kan niet in stand blijven.


3.4.

Het nieuwe besluit van 24 september 2013 komt niet volledig aan het hoger beroep van appellante tegemoet. Het wordt daarom met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 (oud) van de Awb bij het geding betrokken.


3.5.

Vast staat inmiddels dat er op grond van de aandoening met dienstverband een medische noodzaak is voor een aangepast matras. Appellante bestrijdt alleen de beperking van de vergoeding tot ten hoogste € 2.330,. Deze beperking vloeit echter rechtstreeks voort uit artikel 20b, derde lid, in samenhang met artikel 20c, van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Vzr). Zij heeft betrekking op het totaal van bed, bodem, matras en beddengoed, zodat de volgens appellante noodzakelijke aanpassingen aan haar antieke ledikant niet tot een aanvullende vergoeding kunnen leiden. Ook het beroep van appellante op de anti-hardheidsbepalingen in de Vzr kan niet slagen. Niet aannemelijk is dat het vasthouden aan de beperking tot € 2.330, in het geval van appellante leidt tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie als bedoeld in artikel 11. Verder gaat het niet om een voorziening die ten tijde van de inwerkingtreding van de Vzr nog niet bekend dan wel niet voorzienbaar was, zodat ook artikel 15 appellante geen baat brengt. Daarnaast kan de minister worden gevolgd in het betoog dat een moeilijke financiële positie, zoals die waarin appellante stelt te verkeren, op zichzelf geen bijzondere omstandigheid oplevert die een afwijking van de Vzr zou kunnen rechtvaardigen.


3.6.

Het beroep tegen het nieuwe besluit treft in zoverre geen doel.


3.7.

Dit beroep slaagt echter wat betreft de weigering van de bezwaarkosten. Appellantes nieuwe aanvraag is alsnog inhoudelijk in behandeling genomen omdat appellante inmiddels medische gegevens had overgelegd en niet langer volhardde in haar weigering om medewerking te verlenen aan een medische beoordeling. De minister was dan ook ten volle in staat om invulling te geven aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Onder deze omstandigheden is de onjuistheid van het primaire besluit van 24 november 2011 aan te merken als een aan de minister te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De Raad zal de bezwaarkosten meenemen in zijn beslissing over de proceskosten.


Redelijke termijn


4.

Appellante heeft een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4.1.

De redelijke termijn is, voor een procedure zoals hier aan de orde, in beginsel niet overschreden als de rechter in eerste aanleg uitspraak doet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen. In gevallen waarin de bezwaar en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, geldt als uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat dit rechtsmiddel is ingesteld (29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188).


4.2.

In het geval van appellante heeft de redelijke termijn een aanvang genomen op 20 oktober 2009, de dag waarop de minister haar eerste bezwaarschrift heeft ontvangen. Vanaf die dag gerekend, heeft de procedure in totaal meer dan vier jaar geduurd. De aangevallen uitspraak 1 is op 9 november 2011 gedaan, dus meer dan twee jaar na aanvang van de termijn. Dit betekent in beginsel een overschrijding. Deze is uitsluitend toe te rekenen aan de bestuurlijke fase. Immers, het bestreden besluit 1 is pas na ruim acht maanden genomen. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 14 september 2010 en daarop binnen anderhalf jaar, dus tijdig, beslist. Wat betreft het hoger beroep, is de termijn van twee jaar overschreden nu het hoger‑beroepschrift bij de Raad op 21 december 2011 is ingekomen.


4.3.

De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) mede als partij in die procedure worden aangemerkt.


Conclusie


5.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover in hoger beroep aangevochten, moet worden bevestigd. De aangevallen uitspraak 2 zal worden vernietigd, evenals het bestreden besluit 2. Het nieuwe besluit van

24 september 2013 wordt vernietigd wat betreft de weigering van bezwaarkosten, het beroep tegen dat besluit wordt voor het overige ongegrond verklaard. Het onderzoek wordt heropend ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.


6.

In de zaken betreffende de inhoudelijke weigering acht de Raad termen aanwezig om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 487, in bezwaar en € 974, in beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand alsmede op € 20,- in beroep en € 67,24 in hoger beroep wegens reiskosten, in totaal derhalve € 1.548,24.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 16 april 2012 gegrond en

vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2013 gegrond en vernietigt

dit besluit wat betreft de weigering van bezwaarkosten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2013 voor het overige

ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere

uitspraak over het verzoek van appellante om vergoeding van schade met betrekking

tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat

der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.548,24;

- bepaalt dat de minister aan appellante het door haar in beroep tegen bestreden

besluit 2 en in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 betaalde griffierecht

van in totaal € 388,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getewkend) J.T.P. Pot




HD