Centrale Raad van Beroep, 06-06-2014 / 12-1946 WIA


ECLI:NL:CRVB:2014:1922

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. De Raad verklaart de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt. De rapporten van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige voldoen niet aan de eis van consistentie. Appellant heeft terecht erop gewezen dat in die rapporten niet met elkaar te verenigen opvattingen worden verwoord over de beperkingen van betrokkene. De Raad heeft aanleiding gezien eveneens een deskundige te raadplegen. Het rapport van die deskundige voldoet aan de eisen, die aan een dergelijk rapport worden gesteld en wordt door de Raad gevolgd. De conclusie is dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Met drie resterende functies is sprake van voldoende arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-06
Publicatiedatum
2014-06-12
Zaaknummer
12-1946 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2014/234
Uitspraak

12/1946 WIA


Datum uitspraak: 6 juni 2014


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

28 februari 2012, 09/1429 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)


[Betrokkene] te [plaatsnaam], België (betrokkene)



PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft [M.] een verweerschrift ingediend.


Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. J.J. van Os, psychiater, op 13 november 2012 een reactie gegeven op het hogerberoepschrift.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van een meervoudige kamer van de Raad op 9 januari 2013, waar partijen niet zijn verschenen.


Prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, is benoemd als deskundige. Hij heeft op

9 december 2013 een rapport uitgebracht, waarop appellant en betrokkene een reactie hebben gegeven.


De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. Voor betrokkene is haar gemachtigde verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft zich, vanuit de situatie dat zij een vervolguitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld bij appellant in verband met bij een verkeersongeval op 24 februari 2006 opgelopen letsel. Zij heeft uitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van 24 september 2008 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat uit onderzoeken door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van appellant is gebleken dat zij meer dan 65% kan verdienen van haar maatvrouwloon dat is vastgesteld op het wettelijke minimumloon.


1.2. Betrokkene heeft tegen het besluit van 27 januari 2009 bezwaar gemaakt omdat zij zich niet kan verenigen met de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek. Bij besluit van 12 mei 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering gehandhaafd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts van

20 april 2009 en 6 mei 2009.


2. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft aanleiding gezien prof. dr. J.J. van Os, psychiater, als deskundige te benoemen. Met rapporten van 8 februari 2011 en 26 mei 2011 heeft Van Os zijn opvatting kenbaar gemaakt dat betrokkene als gevolg van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis met depressieve kenmerken en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis niet of verminderd belastbaar is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank haar deskundige gevolgd en het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en een bepaling gegeven over het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant de beperkingen van betrokkene voor het verrichten van arbeid niet juist vastgesteld.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte haar deskundige heeft gevolgd. Volgens appellant heeft Van Os zijn opvatting niet voldoende inzichtelijk onderbouwd en zijn zijn rapporten innerlijk tegenstrijdig, omdat hij betrokkene enerzijds volledig en blijvend arbeidsongeschikt acht en anderzijds met een door hem ingevulde zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ervan blijk geeft dat betrokkene arbeidsmogelijkheden heeft. Volgens appellant is de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte ervan uitgegaan dat de door Van Os ingevulde FML kan worden gebruikt voor een nadere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Appellant heeft erop gewezen dat die FML toelichtingen op beperkingen bevat die niet duidelijk zijn.


3.2. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Zij heeft ter zitting nog erop gewezen dat een van de voor haar geselecteerde functies in medisch opzicht niet voor haar geschikt is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ambtshalve wordt het volgende vastgesteld. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht was gelet op het feit dat betrokkene ten tijde van het indienen van het beroep geen woonplaats in Nederland had, niet de rechtbank Leeuwarden, maar de rechtbank Amsterdam bevoegd om op haar beroep te beslissen. De rechtbank heeft het beroep kennelijk uit proceseconomische overwegingen behandeld. De toepasselijke wettelijke voorschriften inzake de relatieve competentie maken een hierop gerichte verwijzing evenwel niet mogelijk. In de gegeven omstandigheden is er aanleiding om met toepassing van

artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.


4.2. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Voor een overtuigende motivering is vereist dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent is. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.


4.3. De rapporten van Van Os voldoen niet aan de eis van consistentie. Appellant heeft terecht erop gewezen dat in de rapporten niet met elkaar te verenigen opvattingen worden verwoord over de beperkingen van betrokkene. De opvatting van Van Os dat betrokkene op

24 september 2008 door de aanwezigheid van een psychiatrische toestandsbeeld en een persoonlijkheidsstoornis niet belastbaar was met arbeid is niet in lijn met de volgens de deskundige op diezelfde datum bestaande verminderde belastbaarheid van betrokkene, zoals weergegeven in de door de deskundige opgestelde FML. De geconstateerde inconsistentie is met de brief van 13 november 2012 niet weggenomen.


4.4. Omdat de rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat in de onderhavige zaak de bestuursrechter, gelet op de door partijen betrokken en met medische gegevens onderbouwde stellingen, niet in staat is tot een oordeel te komen zonder nader te worden voorgelicht over de medische toestand van betrokkene op 24 september 2008 en de uit die toestand voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid, heeft de Raad

prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als deskundige benoemd.


4.5. In zijn rapport van 9 december 2013 is Koerselman op basis van het door hem verrichte onderzoek tot de conclusie gekomen dat er bij betrokkene op 24 september 2008 sprake was van een aanpassingsstoornis, die zich uitte in angstige en sombere gevoelens. Volgens de deskundige geeft de FML, die op 1 december 2008 is opgesteld door een verzekeringsarts van appellant, de beperkingen die het gevolg zijn van die aanpassingsstoornis juist weer. Bij kennisname van de beschrijvingen van de functies, waarop de WIA-schatting is gebaseerd, zijn Koerselman, zo heeft hij te kennen gegeven, geen werkomstandigheden opgevallen die voor betrokkene op 24 september 2008 onmogelijk of onverantwoord zouden zijn geweest.


4.6. Het rapport van Koerselman voldoet aan de in 4.1 genoemde eisen en wordt door de Raad gevolgd. Kenbaar is dat aan het rapport een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. De deskundige heeft kennis genomen van alle beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de behandelend psychiater dr. L. Dams van 15 november 2007 en 4 mei 2009. De deskundige heeft betrokkene in de gelegenheid gesteld om op zijn anamneseverslag te reageren en haar reactie bij zijn rapport betrokken. In zijn rapport heeft Koerselman op inzichtelijke wijze uiteengezet waarop hij zijn oordeel over de medische toestand van betrokkene heeft gegrond. Zijn beschrijving van die toestand en zijn oordeel over de beperkingen van betrokkene op 24 september 2008 vormen een consistent geheel.


4.7. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Betrokkene kon op 24 september 2008 in staat geacht worden tot het verrichten van arbeid met inachtneming van de in de FML van 1 december 2008 neergelegde beperkingen.


4.8. Betrokkene wordt niet gevolgd in haar betoog dat haar onvoldoende de gelegenheid is geboden om met een rapport van Dams op de bevindingen van de deskundige te reageren, onder meer omdat aan haar slechts een deel van de gedingstukken zou zijn toegezonden. Dit betoog steunt niet op de feiten. De gemachtigde van betrokkene is in het bezit gesteld van alle gedingstukken in hoger beroep. Voldaan is voorts op 24 januari 2014 en 31 maart 2014 aan het verzoek van betrokkene om enkele gedingstukken ook nog eens zelf te ontvangen.


4.9. Appellant heeft ter zitting onderkend dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van belastingambtenaar in verband met de belastende aspecten van die functie voor betrokkene niet passend kan worden geacht. Dat betekent dat de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 24 september 2008 drie functies resteren, te weten productiemedewerker textiel, sorteerder en magazijnmedewerker. Een vergelijking van het aan deze functies verbonden loon met het maatvrouwloon leidt ook tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Dat betekent dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is.


4.10. Conclusie is dat het hoger beroep slaagt. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit moest worden vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2014.




(getekend) M. Greebe




(getekend) S. Aaliouli




GdJ