Centrale Raad van Beroep, 03-06-2014 / 13-795 BBZ


ECLI:NL:CRVB:2014:1923

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om verlenging van de bijstand omdat het bedrijf niet levensvatbaar is, berust op goede gronden. Zorgvuldige advisering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-03
Publicatiedatum
2014-06-12
Zaaknummer
13-795 BBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/795 BBZ

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

19 december 2012, 12/9241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Buijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 5 juli 2011 een aanvraag gedaan om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) in de vorm van een uitkering voor levensonderhoud. Appellant exploiteerde een webwinkel om kunstwerken te verkopen. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant heeft het college advies gevraagd aan het Bureau Zelfstandigen en Kunstenaars (bureau). Het bureau heeft in een advies van 10 augustus 2011 geconcludeerd dat de levensvatbaarheid van het bedrijf vooralsnog niet aangetoond kan worden. Omdat hij behoort tot de doelgroep, bereid is zijn eigen kapitaal te investeren en hij geen beroep doet op BBZ bedrijfskrediet, adviseert het bureau appellant gedurende zes maanden de kans te bieden om zijn bedrijf te exploiteren.


1.2.

Bij besluit van 19 augustus 2011 heeft het college appellant met ingang van 12 augustus 2011 bijstand op grond van artikel 23 van het Bbz verleend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft het college vermeld dat deze termijn kan worden verlengd met zes maanden en vervolgens nog twee maal met twaalf maanden voor zover de noodzaak tot bijstandverlening aanwezig is, de ontwikkeling van het bedrijf voldoet aan de gestelde verwachtingen en het bedrijf naar verwachting uiterlijk

36

maanden na de startdatum levensvatbaar is. Gedurende de periode augustus 2011 tot en met februari 2012 heeft appellant nastartbegeleiding gekregen van [naam BV] ([BV 2]).


1.3.

Op 14 februari 2012 heeft appellant een aanvraag om verlenging van de bijstand gedaan. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag opnieuw advies gevraagd aan het bureau. In zijn advies van 25 april 2012 heeft het bureau geconstateerd dat appellant zonder overleg een fysieke ruimte heeft gehuurd met als gevolg extra kosten, terwijl geen inkomsten worden gegenereerd. Mede op basis van een rapportage van [BV 2] over de voortgang van de nastartbegeleiding, komt het bureau tot de conclusie dat appellant ondernemerschapskwaliteiten mist. Het gaat daarbij vooral om administratieve en financiële kennis. Hij heeft een stagiaire aangesteld voor marktonderzoek, een vacature opengesteld voor een kunstverkoper en zonder overleg een ruimte gehuurd met als gevolg extra kosten, terwijl er geen inkomsten worden gegenereerd. Het bureau komt tot de conclusie dat appellant in een half jaar tijd niet is geslaagd in het exploiteren van een winstgevende bedrijf. Naar verwachting zal hij daar ook in de toekomst niet in slagen. Het bedrijf is niet levensvatbaar.

1.4.

Bij besluit van 26 april 2012, gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om verlenging van de bijstand afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat zijn bedrijf met een fysieke ruimte levensvatbaar is. De kunst is nu zichtbaar voor het publiek, veel potentiële kopers hebben zich laten zien en via de zogeheten kunstroute is daadwerkelijk een kunstwerk verkocht. Appellant had meer tijd moeten krijgen de levensvatbaarheid aan te tonen. Kennelijk heeft de gemeente vertrouwen gehad in het bedrijf van appellant, want aan appellant is een zogeheten werkcheque van het werkgeversservicepunt in het vooruitzicht gesteld. Het onderzoek van het bureau is ten slotte onzorgvuldig geweest. Het bureau heeft zich teveel laten leiden door het advies van [BV 2].


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.


4.2.

Voorop staat dat het college de nieuwe opzet van het bedrijf van appellant, een webwinkel in combinatie met een galerie, bij de beoordeling in het kader van de verlengingsaanvraag om bijstand voor levensonderhoud heeft beoordeeld. In het toekenningsbesluit van 19 augustus 2011 heeft het college vermeld dat de bijstand met ingang van 12 augustus 2011 voor zes maanden wordt verleend en kan worden verlengd met zes maanden voor zover de noodzaak tot bijstandverlening aanwezig is en de ontwikkeling van het bedrijf voldoet aan de gestelde verwachtingen en naar verwachting uiterlijk 36 maanden na de startdatum levensvatbaar is gebleken. Dit betekent dat het bedrijf van appellant in de periode van zes maanden na de startdatum een positieve ontwikkeling moet hebben doorgemaakt, zodanig dat het uiterlijk 12 augustus 2014 levensvatbaar is gebleken. Het is daarbij aan appellant om aan te tonen dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant wijst hoofdzakelijk op zijn eigen verwachtingen omtrent de toekomst van zijn bedrijf. Louter eigen verwachtingen van de betrokkene omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf vormen echter onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand. Dat appellant een werkcheque van € 2.000,- in het vooruitzicht was gesteld om een werknemer in dienst te kunnen nemen, maakt dit niet anders. Het werkgeversservicepunt, die de werkcheques toekent aan werkgevers, heeft niet tot taak de levensvatbaarheid van een bedrijf te beoordelen. Een werkcheque is bedoeld ter compensatie voor de extra middelen die nodig zijn om een werknemer te kunnen plaatsen. Het feit dat één werk verkocht is tijdens de kunstroute, is volstrekt onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.


4.3.

Bij zijn besluitvorming is het college uitgegaan van het advies van het bureau. Het college mocht van dit advies uitgaan. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd, bijvoorbeeld in de vorm van een contra-expertise, die aanleiding geven om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat advies. Dat het bureau veel waarde heeft gehecht aan de rapportage van [BV 2], dat inzicht geeft in de bij appellant bestaande ondernemerskwaliteiten, geeft geen grond voor het oordeel dat het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het bureau kon de informatie die uit deze rapportage naar voren komt betrekken in zijn advies, waarin het bureau zich een eigen heeft gevormd over de omzet, de bedrijfsvorm en de ondernemerskwaliteiten van appellant.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) M.R. Schuurman



HD