Centrale Raad van Beroep, 17-06-2014 / 12-5881 NIOAW


ECLI:NL:CRVB:2014:2142

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum uitkering. Van een verband tussen het uitblijven van de doelgroepverklaring en de late aanvraag is dan ook geen sprake. Dat appellant na afloop van zijn WW-uitkering op 9 september 2011 heeft gewacht tot 29 september 2011 alvorens zich te melden voor het doen van een aanvraag, dient voor zijn rekening te komen. Appellant is niet als alleenstande ouder aan te merken. Geen sprake van volledige zorg.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2014-06-17
Publicatiedatum
2014-06-25
Zaaknummer
12-5881 NIOAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5881 NIOAW

Datum uitspraak: 17 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 september 2012, 12/2046 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A. van Velsen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014. Appellant is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 29 september 2011 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet Inkomensvoorziening Oudere en Gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze Werknemers (IOAW). Op zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij bijstand wenst met ingang van

9 september 2011, de datum waarop zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) afliep.


1.2.

Bij besluit van 14 december 2011 is aan appellant bijstand verleend ingevolge de IOAW over de periode van 29 september 2011 tot en met 9 oktober 2011, naar de norm voor een alleenstaande. De aanvraag van bijstand over de periode van 9 september 2011 tot en met

28 september 2011 heeft het college afgewezen op de grond dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum dan 29 september 2011 rechtvaardigen. Vanaf 9 oktober 2011 heeft appellant inkomsten uit arbeid.


1.3.

Bij besluit van 16 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2011 ongegrond verklaard.


2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is allereerst de ingangsdatum van de uitkering.


4.2.

Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3929) brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


4.4.

Niet in geschil is dat appellant zich op 29 september 2011 bij het Uwv heeft gemeld voor een uitkering.


4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij recht heeft op een uitkering over de periode van 9 september 2011 tot en met

28 september 2011. Hij is van mening dat het college zijn aanvraag om een doelgroepverklaring ten behoeve van een premiekorting oudere werknemers niet voortvarend heeft afgehandeld. Daarom heeft hij alsnog een uitkering moeten aanvragen. Deze doelgroepverklaring had hij nodig om in aanmerking te komen voor een aanstelling bij een beoogde werkgever.


4.6.

De rechtbank heeft terecht in wat appellant heeft aangevoerd geen grond gezien om te oordelen dat het college op grond van bijzondere omstandigheden aan appellant een

IOAW-uitkering had moeten verlenen voorafgaande aan de datum van melding. De omstandigheid dat appellant nog niet beschikte over een doelgroepverklaring had hem er niet van hoeven te weerhouden om een uitkering aan te vragen. Appellant heeft de doelgroepverklaring uiteindelijk op 25 januari 2012 ontvangen, maar hij is al op 9 oktober 2011 aan het werk gegaan. Van een verband tussen het uitblijven van de doelgroepverklaring en de late aanvraag is dan ook geen sprake. Dat appellant na afloop van zijn WW-uitkering op 9 september 2011 heeft gewacht tot 29 september 2011 alvorens zich te melden voor het doen van een aanvraag, dient voor zijn rekening te komen. De beroepsgrond slaagt niet.


4.7.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de uitkering ten onrechte is toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Omdat zijn twee kinderen op zijn adres staan ingeschreven en hij ook onderhoudsplichtig is, had hem bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder moeten worden toegekend.


4.8.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOAW wordt onder kind verstaan het kind jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de werkloze werknemer behoort en voor wie aan de werkloze werknemer op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7,

tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.


4.9.

Appellant heeft op zijn aanvraag vermeld dat zijn twee kinderen, die geboren zijn [in]

[in]2009, vanaf de zomer van 2011 bij hun moeder in het buitenland verblijven. Ter zitting heeft appellant bevestigd dat de tweeling gedurende de hier van belang zijnde periode bij hun moeder in Siberië woonden.


4.10.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de periode die hier in geding is voor de toepassing van de IOAW niet als alleenstaande ouder maar als alleenstaande was aan te merken. De kinderen woonden niet bij appellant en hij had niet de feitelijke, laat staan de volledige zorg voor hen. De kinderen behoorden niet tot zijn huishouden. Dat appellant ten aanzien van zijn twee kinderen onderhoudsplichtig is en een financiële bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud wenst te leveren, doet aan het voorgaande niet af.


4.11.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5.

Gelet op 4.10 is voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade geen plaats, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.


6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2014.




(getekend) A.M. Overbeeke




(getekend) I.J. Penning



HD